• Exporteer naar PDF

De woning van God

1. Inleiding

Iets over de helft van het Bijbelboek Exodus begint een Bijbelgedeelte waar zelfs de nieuwsgierigste Bijbellezers afhaken. Daar begint namelijk een hoofdstukken lange beschrijving van een tent die in veel vertalingen de “tabernakel” wordt genoemd.

Alles waaruit de tent bestaat of wat in de tent staat, wordt daar tot in detail beschreven. Hoe lang, breed en diep alles is, uit welk materiaal het bestaat, hoe het er uitziet, enzovoort. Haakjes, lusjes, versiersels, alles passeert de revue. En als de verteller eindelijk klaar is met zijn beschrijving van de tent, begint hij met het beschrijven van de kleren van de priesters die in de tent dienst doen.

Exodus is het tweede van de vijf boeken van de Thorah, het hart van de Hebreeuwse Bijbel, het heilige boek van de joden. Exodus is dus niet zomaar een boek. Net als de rest van de Thorah bevat het de woorden van God zelf. Waarom gaat het daar dan hoofdstukken lang over een tent?

God vindt het blijkbaar erg belangrijk want Hij laat Mozes, de schrijver van de Thorah, speciaal bij zich komen om hem al die details mee te delen. De tent met al zijn onderdelen moet precies gemaakt worden zoals God het wil. In hoofdstuk 25 t/m 31 van het boek Exodus beschrijft Hij dat alles daarom aan Mozes.

En alsof dat nog niet genoeg is, wordt in hoofdstuk 35 de draad opnieuw opgepakt. Daar wordt t/m hoofdstuk 40, het laatste hoofdstuk van het boek, beschreven hoe twee volksgenoten van Mozes alles volgens die aanwijzingen maken. Alle details van de hoofdstukken 25 t/m 31 passeren dan opnieuw de revue.

Als alles klaar is, komt God omhuld door een wolk de tent binnen om er in te wonen.

De wolk blijft daar tot hij zich in hoofdstuk 10:11 van het boek Numeri plotseling opheft. Als dat gebeurt, breken Mozes en de Israëlieten hun tentenkamp meteen op. De Levieten, de hulpjes van de priesters, halen de onderdelen van de tabernakel uit elkaar en nemen alles mee op hun tocht.

De wolk trekt met de stoet weer mee, tot hij plotseling ergens weer stilstaat. Dat wordt dan de volgende halteplaats. Zo trekt het volk 40 jaar door de woestijn tot ze eindelijk bij het land komen dat God hen beloofd heeft.

Wij, moderne en postmoderne mensen hebben vaak al moeite om te geloven in een God, maar bij een God die in een tent woont en gehuld in een wolk met een stelletje nomaden meetrekt, haken we helemaal af.

Wat doen al deze zaken in het hart van het boek dat aan de basis staat van onze westerse cultuur? Betekenen die details überhaupt nog wat? En zo ja, wat moeten wij anno 2013 dan met deze informatie?

In dit document probeer ik deze vragen te beantwoorden. Daarvoor ga ik niet uit van de beelden die de vertaling bij ons oproept, maar raadpleeg ik het Hebreeuws, de taal waarin deze teksten oorspronkelijk geschreven is.

2. Een God die afdaalt

Onze voorouders hebben eeuwenlang gelooft in een wezen dat:

  1. Te verheven is om contact met ons te hebben.
  2. Zo dichtbij kan komen dat dit contact toch tot stand komt.

Dit tegenstrijdige Wezen noemden zij God.1)

Ook de Kabbalisten geloven in Gods tegenstrijdigheid.

Aan de ene kant noemen ze Hem Ain Sof, ‘de Grenzeloze’ waar we ons zelfs geen voorstelling van kunnen maken. Aan de andere kant geloven ze dat datzelfde wezen naar ons kan afdalen. Dat doet Hij via səfiroth, via ‘getallen’. Geen getallen die je op en af kunt trekken, maar getallen die het wezen van de schepping uitdrukken.

In het boek Exodus daalt God ook af. Daar daalt Hij af op de berg Sinaï. Omdat Hij dat doet, kan Mozes samen met zijn leerling Jozua naar Hem opklimmen.2)

Het Hebreeuwse woord voor opklimmen is ’alah. ’Alah betekent ‘opstijgen’. Hetzelfde woord wordt gebruikt voor een geofferd dier, waarvan de rook opstijgt naar God. ’Alah is dus een aanduiding voor iets dat, of iemand die, opstijgt naar God. Dat kan ook iets geestelijks zijn.

Mozes en Jozua gaan een wolk in die de berg bedekt.

Het Hebreeuwse woord voor ‘wolk’ is ‘ənan. ‘Ənan is verwant met ‘anah, wat ‘antwoorden’ betekent. In de wolk geeft God het tweetal dus een antwoord. Geen antwoord waar je met je verstand of je gevoel iets mee kunt. Het antwoord dat God hier geeft, is bedoeld voor je nəsjamah, het gedeelte van je ziel die van God zelf komt, die God weerspiegelt.

Daar, in de wolk, toont God Mozes en Jozua een ontwerp van de plek waar God wil wonen. Deze plek is de misjkan, de ‘woning’ die in veel vertalingen “tabernakel” genoemd wordt.

Misjkan is verwant aan Sjəchīnah. Sjəchīnah is de Moederlijke kant van God, de kant van God die zich afscheidt van Gods Vaderlijke kant om bij ons, mensen, te zijn.

Door de Sjəchīnah kan God in ons midden wonen. Door de Sjəchīnah vormt God ons centrum.

De misjkan is dus geen heilige tent van primitieve nomaden. De misjkan is het wonen van God in ons mensen en tussen ons mensen. Ook nu is die misjkan er, of we dat beseffen of niet.

3. De misjkan

3.1. De schepping

Volgens Friedrich Weinreb is heel de schepping een misjkan.

In de Bijbel staat dat alles wat we kunnen zien, horen, voelen en bedenken door God geschapen is.

Het Hebreeuwse woord voor scheppen is bara. Bara bestaat uit de letters bēth, rēsj en alèf. De getalswaarde van de bēth is 2, de getalswaarde van de rēsj is 200 en de getalswaarde van de alèf is 1.

De 2 en de 200 staan allebei voor de tweeheid.3)

Alles wat wij kennen wordt gekenmerkt door de “tweeheid”. Tegenover elk verschijnsel staat namelijk een tegenpool. God zelf is de éénheid. Daarom gaat Hij ons bevattingsvermogen te boven. Uit die éénheid komen al deze tegengestelde paren voort. Dat gebeurt door splitsing. Zo ontstaat de hele schepping.

Toch is die schepping pas af als ze weer terugkeert naar de éénheid waar ze vandaan komt. Daar staat de alèf voor.

Ook die terugkeer wordt uitgedrukt in de misjkan. In die misjkan brengt de mens namelijk alles weer terug naar God.4).

3.2. De zoon

In de Bijbel wordt een mens soms een zoon van God genoemd. Het Hebreeuwse woord voor zoon is ben. Ben is verwant met banah, wat ‘bouwen’ betekent.

Zoon heeft dus met bouwen te maken. In dit geval met het bouwen van de misjkan.

Op de berg laat God Mozes een uitbeelding van die misjkan zien.5)

Het Hebreeuwse woord voor uitbeelding is thàvnīth. Thàvnīth is afgeleid van ben, wat ‘zoon’ betekent. Aan het begin en het einde van thàvnīth staat een thaw. Het beeld van de thaw is het kruis. Dat kruis staat voor de verlating van God. Thàvnīth is dus de zoon die verlaten is door zijn Goddelijke Vader.

Juist die verlaten zoon beeldt uit hoe de misjkan eruit moet zien.

3.3. Makers en gevers

Aan de hand van de thàvnīth wordt de misjkan gemaakt.

De tekst noemt twee mensen die dat werk tot stand zullen brengen. De eerste is Bətsàlel.

Bətsàlel kun je vertalen als ‘in het beeld van God’. Volgens de Bijbel is de mens geschapen in het beeld van God.

Diep in ons is er iets dat van God komt, dat God weerspiegelt. Dat is de nəsjamah, het gedeelte van je ziel dat God weerspiegelt. Voor onze “gewone psyche” is die nəsjamah iets onbegrijpelijks, iets onbestaanbaars. Toch kan ze daarmee in contact komen. Dat gebeurt door middel van de roeàch.

God heeft Bətsàlel vervuld met Zijn Roeàch. Daardoor krijgt hij wijsheid, inzicht en kennis om de misjkan en zijn onderdelen te maken.6)

Wijsheid, inzicht en kennis zijn vertalingen van de Hebreeuwse woorden chochmah, thəvoenah en dà’àth.

Chochmah is de wijsheid die alles als een éénheid ziet. Thəvoenah is afgeleid van binah. Binah is dat waardoor chochmah zich kan uiten. En dà’àth, komt uit chochmah en binah voort.

Chochmah, binah en dà’àth zijn de namen van drie van de hoogste səfiroth, ‘getallen’ waarmee God afdaalt naar onze wereld. Met onze gewone analytische kennis heeft dit alles niets te maken.

In zijn werk wordt Bətsàlel geholpen door Oholiav.7) Oholiav betekent ‘mijn tent (is) vader’.

Je zou Oholiav ook kunnen vertalen als ‘mijn uitstraling (komt van) vader’. Vader staat hier dan voor God. Zowel Bətsàlel als Oholiav zijn dus mensen die God weerspiegelen.

Het materiaal voor het maken van de misjkan komt van het volk zelf. Het gaat hier om een vrijwillige gave. Ieder geeft dat wat zijn hart hem ingeeft.8)

In het Hebreeuws is het hart een soort verstand. Niet het gewone analytische verstand, maar verstand dat verbanden kan leggen.

4. De àrōn

4.1. De àrōn zelf

De beschrijving van de misjkan en zijn onderdelen begint met de àrōn.9) De àrōn is het belangrijkste gedeelte van de misjkan. We beginnen dus met de kern.

Àrōn wordt meestal vertaald als ‘ark’ of ‘kist’. Àrōn is echter veel meer dan dat. Àrōn is verwant met or, wat ‘licht’ betekent. Licht is het eerste wat God geschapen heeft.

De uitgang –on geeft aan dat het om iets kleins gaat. Aron zou je dus kunnen vertalen met ‘lichtje’.

Eigenlijk gaat het hier echter om iets groots. -On bestaat uit de letter waw en noen. Het beeld van de waw is de haak. De waw verbindt dus iets. De getalswaarde van de noen is 50. Dit getal staat voor de andere wereld, de wereld van God. Àrōn is dus een licht dat verbonden is met de wereld van God.

De àrōn bestaat uit twee materialen:

  1. Boom of hout van (de) acacia.
  2. Goud.

Het Hebreeuwse woord voor acacia is sjitah. Sjitah is verwant met sjoet, wat ‘met verachting behandeld’ betekent. Sjitah is ook verwant met sjot, wat ‘bestraft (met een gesel of zweep)’ betekent. Het gaat hier dus om hout, om een boom waarbij iets vreselijks gebeurt.

Zelf moet ik denken aan de boom van de kennis van goed en kwaad, waar de mens God en zichzelf kwijtraakte en aan het kruis waar Jezus aan gehangen heeft.

Hier wordt dat hout echter overdekt met goud. Goud is het zuiverste metaal. Het staat voor het licht.

4.2. Het deksel van de àrōn

Op deze àrōn ligt het kàporèth. Kàporèth komt van kafàr, wat ‘bedekken’ en ‘uitboeten’ betekent. In vertalingen wordt de kàporèth vaak het “verzoendeksel” genoemd. Het gaat hier dus niet zomaar om een deksel, maar om iets dat een groot probleem oplost.

Het deksel is van puur goud en het vormt één geheel met twee puur gouden figuren. Dat zijn de cherubs.

In het Hebreeuws staat er kəroevīm. Dat woord begint met drie letters die te maken hebben met de tweeheid. De bēth heeft de getalswaarde 2, de kaf heeft de getalswaarde 20 en de rēsj heeft de getalswaarde 200. De uitgang -īm is een meervoudsuitgang.

De cherubs staan dus voor de fundamentele tweeheid.

De cherubs komen ook in het tweede scheppingsverhaal uit het boek Genesis voor. Daar zijn het wezens die het paradijs bewaken, zodat Adam en Eva, de eerste man en de eerste vrouw er niet meer kunnen komen. Adam en Eva hadden gegeten van de boom van kennis van goed en kwaad en zich daarmee losgemaakt van God en Zijn éénheid. Sindsdien stuit de mens op zijn zoektocht naar de éénheid steeds op de tweeheid.

In het deksel van de àrōn wordt echter iets onbestaanbaars uitgedrukt. De cherubs vormen daar namelijk één geheel mee. In dat deksel worden zij verzoend, wordt hun breuk ongedaan gemaakt. De cherubs kijken dan ook naar dit deksel, want op die plek zijn zij één.

De twee cherubs en het deksel vormen de mens op het hoogste niveau, de mens zoals God hem bedoeld heeft.

Elk van de cherubs heeft twee vleugels. Het Hebreeuwse woord voor vleugel is kanaf. Kanaf kan ook ‘hoek’ betekenen. Een hoek is iets wat de gewone gang van zaken doorbreekt. Je komt dan ineens in een heel andere wereld terecht, net als met vleugels trouwens.

De cherubs vormen elkaars spiegelbeeld. In het deksels zijn die spiegelende wezens één geworden. De beide cherubs en het deksel vormen dus een drie-eenheid.

De spiegelende wezens staan voor de man en de vrouw op het hoogste niveau. Een man en een vrouw die samen het beeld van God vormen.

Dit litho heet “Hooglied” en is in 1975 gemaakt door Marc Chagall. Het boek Hooglied gaat over de éénwording van de man en de vrouw. Rabbi Akiba noemde Hooglied het “Heilige van de heiligen” van de Hebreeuwse Bijbel

Op deze plek woont God.10)

Op deze plek hoort Mozes de stem van God. Daar krijgt hij de inspiratie om de Thorah op te schrijven.

Op deze plek komt Mozes’ broer Aäron, de Grote Priester, éénmaal per jaar verzoening voor het volk brengen.

4.3. Wat er in de àrōn ligt

Onder het deksel, in de àrōn bevinden zich de twee stenen platen waarin God met zijn eigen vinger aan beide zijden de Tien Woorden gegrift heeft.

De Tien Woorden zijn het belangrijkste deel van de Thorah. In deze woorden heeft God alles gezegd wat Hij wilde zeggen. Volgens Weinreb zegt God in deze woorden wie de mens eigenlijk is, wat zijn eigenlijke structuur is.11)

God heeft deze woorden zélf in de platen gegrift. Het Hebreeuwse woord voor griffen is charàth. Charàth is verwant met cheroeth, wat ‘vrijheid’ betekent. Juist daar waar God de structuur van de mens vastlegt is hij dus vrij.

De tekst van de Tien Woorden begint met de Hebreeuwse letter alèf. De getalswaarde van de alèf is de 1.

Het boek Genesis begint met de Hebreeuwse letter bēth. De getalswaarde van de bēth is de 2. Alles in dat boek, van het eerste scheppingsverhaal tot het einde, staat in het teken van de tweewording. In de Tien Woorden komen de twee zaken weer bij elkaar en zo ook tot God.

De Tien Woorden staan op twee stenen platen. De eerste vijf woorden staan op de eerste plaat en de tweede vijf woorden staan op de tweede plaat.

Volgens de Zohar, het belangrijkste boek van de Kabbala, corresponderen de vijf woorden van de eerste plaat met de vijf woorden van de tweede plaat. De twee platen zijn dus eigenlijk één.12)

Het Hebreeuwse woord voor plaat is loeàch. Loeàch is verwant met làch, wat ‘fris, groen’ betekent en leàch, wat ‘frisheid, (levens)kracht’ betekent.

In onze wereld is alles wat dood is eeuwig en moet alles wat leeft sterven. Bij de platen is dit dilemma opgeheven. De platen staan voor het eeuwige leven, het leven dat van God zelf afkomstig is.

Het materiaal waarvan de platen gemaakt zijn is steen. Ook dat is iets bijzonders. Het Hebreeuwse woord voor steen is èvèn. Èvèn is de combinatie van av en ben. Av betekent ‘vader’ en ben betekent ‘zoon’. Èvèn is dus de verbinding van de vader en de zoon.13)

In de Bijbel wordt God vaak Vader genoemd. Deze Vader heeft hier een onverbrekelijke band met zijn zoon, zijn mens.

5. Het voorhangsel

De plek waar de àrōn staat, noemt de Bijbel het qodèsj hà-qadasjīm, het ‘heilige van de heiligen’.14)

Qodèsj komt van qadàsj, wat ‘afzonderen’ betekent. Het gaat hier dus om iets bijzonders, iets dat niet “gewoon” is. Het qodèsj hà-qadasjīm is dan de allerbijzonderste, meest ongewone plek die er is.

Het is de plek waar de mens één is, de plek waar de mens zijn bestemming gevonden heeft bij de Ene.

Deze plek wordt afgeschermd door een voorhangsel. Het Hebreeuwse woord voor dit voorhangsel is parochèth. Dit woord heeft dezelfde letters als kàporèth, maar alleen in een andere volgorde.

Kàporèth was het deksel, dat de verzoening tussen de tegenstellingen uitdrukt. Parochèth, het voorhangsel, verzoent twee plekken met elkaar, het qodèsj hà-qadasjīm, het ‘heilige van de heiligen’ en het qodèsj, het ‘heilige’. Tussen deze plekken hangt het namelijk.15)

Dat voorhangsel is een kleed, dat uit vier stoffen bestaat:

  1. Thəchelèth, dat blauw is
  2. Àrgaman, dat paars is.
  3. Thōlà’àth sjanī, dat rood is.
  4. Sjesj, dat wit is.

De eerste drie stoffen zijn van dierlijk materiaal en de vierde stof van plantaardig materiaal.

Volgens de Thorah kunnen mensen geen kleding dragen waarin het dierlijke en het plantaardige materiaal gemengd is,16) maar op deze plek is alles anders.

Stof van dierlijk materiaal staat voor ons gewone vlees en bloed. Dat geldt met name voor thōlà’àth sjanī, met de kleur die Weinreb “laag rood” noemt.

Daarnaast is er dan àrgaman. Dat heeft een kleur die Weinreb “hoog rood” noemt. Deze kleur staat voor het vlees en bloed van de koning, voor de mens die kan handelen.

Tenslotte heb je thəchelèth, de blauwe kleur. Thəchelèth is verwant met thàchlīth, wat ‘volkomen, beëindigd’ betekent. Thəchelèth is het lichaam van de mens die klaar is, die zijn doel hier heeft bereikt.

Stof van plantaardig materiaal staat voor het geestelijke lichaam, het lichaam van een geestelijk wezen. Hier gaat het om een kleed dat gemaakt is van sjesj.

Dat is witte stof. In wit zijn alle kleuren één. Een mens met een wit kleed is een mens die één is geworden.17)

Op het voorhangsel in de misjkan komen cherubs voor.

Het voorhangsel hangt aan vier zuilen. Het Hebreeuwse woord voor zuil is ‘àmoed. ‘Àmoed is verwant met ’amàd wat ‘(op)staan, standhouden’ betekent. Een ‘àmoed is dus iets wat het lichaam van de mens kracht geeft.

De zuilen zijn van hetzelfde materiaal gemaakt als de àrōn, namelijk acaciahout overdekt met goud.

Deze zuilen staan op voetstukken. Het Hebreeuwse woord voor voetstuk is èdèn, wat ‘fundament’ betekent.

Hier is het fundament van zilver. Zilver verhoudt zich tot goud als de maan tot de zon. De maan heeft het licht niet van zichzelf, maar van de zon. Dit fundament om je staande te houden is dus ontvankelijk zijn voor het licht dat van buiten komt.

Ook in het Nieuwe Testament, het christelijke commentaar op de Hebreeuwse Bijbel, wordt gesproken over het voorhangsel. Het gaat dan over het voorhangsel van de Tweede Tempel. Als Jezus sterft, scheurt dat voorhangsel van boven naar beneden.18)

De Nieuwtestamentische schrijver van de Hebreeënbrief noemt dat voorhangsel “Jezus’ vlees”.19)

6. De rest van de misjkan

6.1. Inleiding

De rest van de misjkan is ook heilig, maar op een lager niveau als de plek waar de àrōn staat. Dit lagere niveau wordt het qodèsj, het ‘heilige’ genoemd.

In het qodèsj is de mens nog niet één, zoals in de plek waar de àrōn staat, maar hij is wel in harmonie.

Volgens de Joodse Overlevering bestaat onze menselijke ziel uit drie delen:

  1. De nəsjamah.
  2. De nèfèsj.
  3. De roeàch.

De nəsjamah is het gedeelte van onze ziel dat God weerspiegelt. Het is iets dat we niet kunnen begrijpen of ervaren. Zij is afgestemd op de “wereld van God”.

Daartegenover staat de nèfèsj, onze “gewone psyche”, het geheel van alles wat we denken, voelen en willen. Zij is afgestemd op “onze eigen wereld”.

Dan is er nog de roeàch. Dat is dat wat de nəsjamah en de nèfèsj met elkaar in contact brengt.

In het qodèsj zijn deze drie met elkaar in harmonie.

In dat qodèsj staan drie voorwerpen. Elk van deze drie voorwerpen staat voor een deel van de ziel:

  1. De tafel met de broden staat voor de nèfèsj.
  2. De kandelaar staat voor de nəsjamah.
  3. Het altaar voor de wierook staat voor de roeàch.

Elk van die voorwerpen staat aan een andere kant van de ruimte.

6.2. De tafel met de broden

De tafel met de broden20) staat in het qodèsj aan de noordkant.

In de Hebreeuwse Bijbel hebben alle windrichtingen een betekenis.21) Het noorden is de kant waar het nacht is. In de nacht slapen wij. Het noorden is dus de kant van de onwetendheid.

Het noorden is ook de kant van onze nèfèsj, onze psyche. Normaal gesproken denkt die psyche echter dat ze klaarwakker is, dat ze van alles weet en voelt. Om dat te kunnen, moet ze de dingen echter ontleden, uit elkaar trekken. Ze kent dus alleen de brokstukken, niet de dingen zelf. Hier in het qodèsj beseft onze nèfèsj dat.

Op de tafel liggen broden. Brood staat voor alles wat je hier in deze wereld meemaakt.

In de Statenvertaling worden het “toonbroden” genoemd. In het Hebreeuws heten ze lèchèm hà-panīm, ‘brood (van) het gezicht’. Ze worden namelijk vóór de plek gelegd waar God is.

Het gaat om twaalf broden. “12” is het getal van de stammen, de clans, van het volk Israël. Volgens Leviticus 24:5,6 liggen ze als twee stapels van zes broden op tafel. Even getallen kun je altijd door tweeën delen. Van éénheid kan dan geen sprake zijn.

Ook onze nèfèsj kan de éénheid niet bereiken. Daarom kan ze nooit echt antwoord op zijn vragen vinden.22)

Als kant van de nèfèsj is het noorden ook de kant van onze wereld. In onze wereld wisselt alles steeds. Ook de broden worden hier daarom steeds vervangen door nieuwe broden.

Het gaat hier om ongezuurde broden. Dat wordt ook wel het brood van de armoede genoemd. Een arme beseft dat hij zelf niets heeft, dat alles van de ander moet komen.23)

Hier in het qodèsj beseft onze nèfèsj dat alles van God moet komen.

6.3. De kandelaar

Aan de zuidkant van het qodèsj staat de kandelaar.24)

Het zuiden is de kant waar de zon het hoogst staat. Op dat moment zijn wij wakker. Het zuiden is dus de kant van het weten. Echte kennis is kennis van de éénheid. Deze kennis hoort bij onze nəsjamah, het deel van de ziel dat van de Ene, van God komt.

Het Hebreeuwse woord voor kandelaar is mənōrah. Mənōrah komt van ner, wat ‘licht’ betekent.

De kandelaar heeft een schacht in het midden en 2 x 3 armen aan weerszijden. De schacht in het midden geeft de 2 x 3 armen het antwoord.

Volgens Weinreb staan de zes armen voor de zes gewone weekdagen. De schacht staat voor de zevende dag, de sjabbàth, de dag dat alles klaar is. Als je beseft dat alles al klaar is, kun je de weg naar de éénheid afleggen.25)

Als kant van de nəsjamah is het zuiden ook de kant van Gods wereld. In de wereld van God is alles blijvend. Daarom brandt de kandelaar altijd.

De brandstof voor de kandelaar is olijfolie.26) Met deze olie wordt de Messias, de verlosser, gezalfd. Masjīàch, het Hebreeuwse woord voor Messias, betekent zelfs ‘gezalfde’.

Het Hebreeuwse woord voor olie is sjèmèn. Sjèmèn is verwant aan sjəmonèh, wat ‘acht’ betekent. “Acht” is het getal van de andere wereld, van de wereld van God.

De Messias is iemand van de wereld van God.

De kandelaar ziet eruit als een bloeiende amandelboom. Volgens de Joodse Overlevering is de amandel de achtste vrucht, de vrucht van de wereld van God.27)

6.4. Het wierookaltaar

Aan de oostkant van het qodèsj staat het wierookaltaar.28)

In het Hebreeuws staat er mizbeàch qətorèth, wat ‘slachtplek (van de) wierook’ betekent.

Op deze slachtplek verspreiden deze kruiden een heerlijke geur. Ze zijn “blij om geslacht te worden”.

Niet voor niets staat het altaar in het oosten. Het oosten is namelijk de kant van de zonsopgang, de kant van de blijdschap omdat er een nieuwe dag aanbreekt.

Planten verzetten zich niet, zoals dieren, tegen het slachten. Zij willen zich graag geven. Daarom ruiken ze zo goed.

Het Hebreeuwse woord voor reuk is rejàch. Rejàch is verwant met roeàch, het gedeelte van de ziel dat bemiddelt tussen de nèfèsj en de nəsjamah. Het wierookaltaar staat voor deze roeàch.

Hier in het qodèsj, in “het heilige”, is de kloof tussen de nèfèsj en de nəsjamah overbrugd. Hier heeft de roeàch harmonie gebracht. Alles is heilig, heel geworden.

In de volgende afbeelding zet ik de situatie in het qodèsj, “het heilige”, nog eens op een rij:

Een echte éénheid zijn wij in het qodèsj nog niet. Echt één zijn we pas op de plek van de àrōn. Op die plek is zelfs de dood opgeheven. Daar liggen stenen platen die leven.29)

Hier in het qodèsj zijn de planten. Hier liggen de broden, brandt de olie en geurt de wierook. Planten kunnen dood gaan. Wel missen ze de angst die dieren voor de dood hebben.

6.5. De Naam van God

Net als de àrōn bestaan ook de tafel van de broden en het wierookaltaar uit acaciahout dat overtrokken is met goud. De kandelaar bestaat zelfs uit puur goud. Alles bestaat dus uit hetzelfde materiaal.

Dat geldt ook voor de tent zelf. Net als het voorhangsel bestaan de tentkleden uit de vier in hoofdstuk 5 beschreven stoffen. Ook de cherubs zijn er weer te vinden.

Ondanks de verschillen zijn er dus grote overeenkomsten tussen de plek waar de àrōn staat en de plek waar de andere drie voorwerpen staan.

Dat merk je ook aan de manier waarop de tentkleden gemaakt zijn.

De plek boven en achter de àrōn bestaat uit vijf tentkleden en de plek boven de drie andere voorwerpen bestaat ook uit vijf tentkleden. Precies boven het voorhangsel worden deze kleden aan elkaar gebonden door vijftig gouden haken. “50” is het getal van de andere wereld, van de wereld van God. In die wereld haken de tweemaal vijf kleden dus aan elkaar.

“5” is de getalswaarde van de Hebreeuwse letter . Er is hier dus sprake van twee hē’s. Tussen die hē’s bevinden zich haken. De haak is het beeld van de Hebreeuwse letter waw. In Hebreeuwse letters staat hier dus - waw - . Dit zijn de laatste drie letters van de Naam van God. In Hebreeuwse letters staat daar namelijk jōd - - waw - ofwel JHWH.30)

JHWH zou je kunnen vertalen als “Hij die er was, is en zal zijn”, Hij die tijdens je hele leven bij je is. De J, de jōd, betekent “Hij”. De H, de W en de H, ofwel de - waw - , betekent “aanwezig zijn”.

Dat aanwezig zijn, wordt uitgedrukt in de kleden van de misjkan.

De Naam van God maakt alles wat gedeeld is één. De delen zijn de twee ’s die door de waw, de haak worden verbonden. Zo worden in de misjkan ook de plek waar de àrōn is en de plek waar de andere drie voorwerpen staan verbonden. Niet voor niets staat in Exodus 26:6 dat de misjkan “één zal worden”.

Deze aan elkaar gehaakte kleden worden bedekt door de volgende kleden:

  1. Een kleed van geitenleer. Het Hebreeuwse woord voor ‘geit’ is ’ez. ’Ez is verwant aan ‘oz, wat ‘sterkte’ betekent.
  2. Een rood kleed van het leer van een ram. Het Hebreeuwse woord voor ‘ram’ is àjil. Àjil komt van èjal, wat ‘kracht’ betekent.
  3. Een kleed van dassenleer. Het Hebreeuwse woord voor ‘das’ is thàchàsj. Thàchàsj is verwant met choesj, wat ‘haast maken’ betekent.

De aanwezigheid van God wordt hier dus verhuld door iets dat met macht en kracht en actie te maken heeft. Met dat wat in het algemeen als goddelijk gezien wordt. Het algemene woord voor god of God is namelijk el, wat “een sterk of machtig iemand” betekent.

De kleden worden bijeengehouden door staanders, die elk op twee voetstukken staan en bij elkaar gehouden worden door dwarsbalken. Al dat materiaal is weer van acaciahout, bedekt met een laagje goud.31)

7. De voorhof

7.1. Inleiding

Rondom de misjkan bevindt zich de chatser. Het gaat om een omheinde plek, die in vertalingen meestal de “voorhof” genoemd wordt.

Het niveau is weer lager dan het niveau van de plek waar de drie voorwerpen staan. De nəsjamah en de nèfèsj, “de ziel die afgestemd is op de wereld van God” en “de ziel die afgestemd is op onze wereld”, zijn hier nog niet met elkaar verbonden, laat staan één. Beiden zijn hier nog zelfstandige grootheden.

In de voorhof verschijnt de nəsjamah als een mens en de nèfèsj als een dier. De mens, de nəsjamah, leidt het dier, de nèfèsj, naar de plek waar het geofferd wordt.

7.2. Het offerdier

De mens leidt zijn offerdier, zijn nèfèsj, naar de noordzijde van de voorhof. In paragraaf 6.2 beschreef ik het noorden als de plek van de nèfèsj, de plek van onze wereld. Daar wordt dat dier, die nèfèsj, vastgebonden.

Dan gebeurt er iets wat Weinreb “het doorsnijden van de kring” noemt. De mens snijdt de halsslagader van het dier door, zodat zijn bloed vrijkomt. Normaal gesproken stroomt dat bloed in een kring, een kringloop, in het lichaam, maar nu stroomt het naar buiten.

In Genesis 9:4 staat dat het bloed de nèfèsj is. In normale omstandigheden leeft deze nèfèsj in de wereld van het lichamelijke. Ze voelt wat ons lichaam voelt, ze denkt wat ons lichaam denkt, ze wil wat ons lichaam wil. Daarom wordt ze ook de ‘lichamelijke ziel’, de ziel van onze wereld genoemd. Nu komt die nèfèsj daar los van.

De nèfèsj is onze psyche, dat wat wij gewoonlijk ons “ik” noemen.

Nu neemt een “ander ik” bij ons de leiding. Ik bedoel de nəsjamah, het deel van de ziel dat van God afkomstig is. Deze nəsjamah bevrijdt onze psyche, snijdt het kringetje door waarin het gewoonlijk zijn leven leidt.32)

7.3. Het offeraltaar

Het bloed wordt opgevangen en naar de zuidkant van de voorhof gebracht. In paragraaf 6.3 beschreef ik het zuiden als de plek van de nəsjamah en van de wereld van God.

Op die plek staat het offeraltaar.33) In het Hebreeuws staat er mizbeàch ‘olah, wat de ‘slachtplek van het opstijgen’ betekent. Daar wordt het geslachte dier op gelegd.

Van het bloed van het dier wordt iets naar de hoeken van het altaar gebracht. Eerder schreef ik dat een hoek staat voor iets dat de gewone gang van zaken doorbreekt, iets dat je in een heel andere wereld brengt. Het pas uit zijn kring bevrijde bloed, komt nu dus in de wereld van God terecht.

Soms gaat er iets van het bloed de misjkan in, naar “het heilige”, de plek waar de drie voorwerpen staan, en zelfs naar “het heilige van de heiligen”, de plek van de àrōn.

Om op die laatste plek te komen, moet er ook wierook mee. Wierook van de ‘slachtplek van het wierook’ uit het “heilige”. De geur van die wierook moet het bloed uit de voorhof namelijk omhullen.

Het wierook is plantaardig en het bloed dierlijk. Het plantaardige hoeft zich niet te handhaven. Het dierlijke wel. Daarom heeft het dierlijke een “lager niveau” als het plantaardige. Daarom is het dierlijke in de voorhof en het plantaardige in de misjkan.

Het geslachte lichaam van het dier wordt op het altaar verbrandt.

In de Bijbel staat het vuur voor de bliksemsnelle tijd, voor de tijd waarin alles in één ogenblik gebeurt, de tijd waarin God leeft.34) Het lichaam van het dier komt hier dus in contact met God. Er komen heerlijke geuren vrij die naar Hem opstijgen. Daarom heet dit altaar de mizbeàch ‘olah, de ‘slachtplek van het opstijgen’. Via die plek komt het dier namelijk in Gods wereld terecht.

Dit altaar is gemaakt van acaciahout dat bedekt is door koper. Het is niet van goud. In de hele voorhof is geen goud te vinden. Alles is van koper.

Het Hebreeuwse woord voor koper is nəchosjèth. Nəchosjèth is verwant aan nachasj, wat ‘slang’ betekent.

De slang is het wezen dat Adam en Eva, de eerste mensen uit de Bijbel, verleidde om van de boom van kennis van goed en kwaad te eten. Hierdoor verloren ze de verbinding met de levensboom en daardoor met God.35) Wat doet deze slang dan op een plek die bedoeld is om de mens weer naar God en het eeuwige leven terug te brengen?

De laatste letter van nəchosjèth is een thaw. Het beeld van de thaw is een kruis. Het gaat hier dus om een nachasj, een slang, die aan het kruis hangt.

Ik moet denken aan nəchàsj nəchosjèth, de koperen slang uit Numeri 21:8,9. De Israëlieten werden aangevallen door slangen. De slangen beten hen en hun gif was dodelijk. In opdracht van God maakte Mozes een koperen slang en bevestigde hem aan een staaf. Ieder die naar deze koperen slang keek, genas van de slangenbeten.

De slang wordt hier dus een middel om weer tot leven te komen en om tot God terug te keren.

7.4. Het wasvat

Aan de westkant staat het kijor, een ‘bekken’ dat gevuld is met water. In veel vertalingen wordt dat het “wasvat” genoemd.

Het westen is de kant van de ondergaande zon, de kant van de droefheid omdat de dag voorbij is.36)

Het Hebreeuwse woord voor water is màjim en het Hebreeuwse woord voor dag is jōm. In het Hebreeuws hebben water en tijd dus met elkaar te maken. Het gaat hier niet om Gods bliksemsnelle tijd, maar om de tijd waarin wij mensen hier leven, de tijd die langzaam voortkabbelt, de tijd die ons steeds een stapje dichter bij onze dood brengt.

Waarom staat dat vat met water hier? Iets dat ons bij de dood brengt, kan ons toch niet bij God en het eeuwige leven brengen?

Bovendien is ook dit vat met water weer van koper, dus ook hier is de slang weer aanwezig.

Volgens Exodus 38:8 is het wasvat gemaakt van spiegels.

In het Hebreeuws staat daar màroeth hà-tsovoth àsjèr tsavəoe. In vertalingen wordt daar van alles van gemaakt, maar er staat letterlijk ‘spiegels (van) het ten strijde trekken dat tot ten strijde trekken leidt’.

Wat zijn dat voor spiegels?

Rasji, de grote joodse uitlegger van de Hebreeuwse Bijbel en de Talmoed, vertelt een verhaal over de tijd dat de Israëlieten nog slavenwerk verrichtten in het land Mitsràjim.37) Als de mannen zich afbeulden, lieten hun vrouwen hen in de spiegels kijken. De vrouwen jenden hen. Ze zeiden dat zijzelf mooier waren dan hun mannen. Dat wond de mannen op. Op die manier, zegt Rasji, zijn al die jonge Israëlitische strijders geboren.38)

De vrouwen “trokken” dus “ten strijde” tegen hun mannen door met hen te wedijveren en die wedijver bracht allerlei nieuwe “strijders” voor.

Seksualiteit wordt vaak aan de slang gekoppeld. Door seksualiteit ontstaat er namelijk een nieuwe generatie, die de oude generatie vervangt. Seksualiteit leidt dus tot de dood.

Hier wordt het echter iets dat tot leven leidt.

Rasji haalt een tekst uit Hooglied aan, het lied dat beschrijft hoe de man en de vrouw naar elkaar verlangen en uiteindelijk tot éénheid komen. Wanneer er éénheid is, is er ook onsterfelijkheid.

De éénwording gebeurt pas in de plek van de àrōn. Het verlangen begint echter bij het wasvat.

De priesters wassen hun handen en voeten in het water van het wasvat.

Met een hand doe je iets en met een voet ga je ergens naar toe. Door zich te wassen worden de priesters dus in staat gesteld om te doen wat ze moeten doen en de weg te gaan die ze moeten gaan. Zij moeten hun werk verrichten bij het altaar en de misjkan in gaan. Als ze zich niet reinigen, loopt het fout af en zullen ze sterven.39)

Zonder wasvat is er geen leven.

7.5. De omheining

In de volgende afbeelding zet ik de situatie in de voorhof nog eens op een rij:

Dit alles vindt plaats binnen een omheining.

Deze omheining bestaat uit tentdoek van één stof, namelijk sjesj. Sjesj is de witte stof van plantaardig materiaal. De gekleurde stoffen van dierlijk materiaal vind je hier dus niet. In hoofdstuk 5 schreef ik dat het wit wijst op éénheid. Hier in deze wereld kan iets niet één zijn. Binnen de omheining gebeuren dus ongewone dingen.

Alleen de ingang bestaat uit een kleed waarin ook het dierlijke materiaal weer gebruikt wordt. Daar komt de mens namelijk met zijn dier naar binnen.

Het geraamte van de omheining bestaat uit koperen staanders die op koperen voetstukken staan.40)

Ook hier moet de slang dus weer het tegengestelde doen wat hij wil, ons naar God brengen.

7.6. De voorhof, het heilige en het heilige van de heiligen

De voorhof, het heilige en het heilige van de heiligen zijn drie stadia op de weg naar God. De volgende afbeelding is een schematische tekening van deze drie stadia:

8. Aäron en zijn zonen

8.1. Wat priesters zijn

Wanneer de mens met zijn dier de omheining binnenkomt, krijgt hij te maken met de priesters. Zij zorgen ervoor dat het dier geslacht wordt en dat zijn lichaam en zijn bloed op de juiste manier bij het altaar komen.

Het Hebreeuwse woord voor priester is kohen, wat ‘als hen’ betekent. “Hen” zijn de engelen.41)

Engelen brengen boodschappen tussen onze wereld en Gods wereld. Zij zorgen ervoor dat die werelden met elkaar in contact komen.

Ook priesters zijn bemiddelaars. Zij brengen ons dier naar God en zij brengen God bij ons dier. Dat dier staat voor ons lichaam en ons bloed. Dat bloed is onze nèfèsj, onze psyche, onze “lichamelijke ziel”. De priester brengt dus dat wat wij in onze wereld zijn in contact met God.

Priesters zijn zonen van Aäron, de broer van Mozes. Aäron wordt de kohen gadol, de ‘grote priester’ genoemd.

Aäron brengt ons bloed, onze psyche, nog verder dan het altaar in de voorhof. Hij brengt het de misjkan in. Eén keer per jaar brengt hij het zelfs naar de plek waar de àrōn staat.

In het Hebreeuws spreek je Aäron uit als Àhàron. Àhàron heeft dezelfde stam als àrōn.

Àrōn staat voor het licht dat verbonden is met de wereld van God. Het woord Àhàron heeft een extra letter, namelijk een . Het beeld van de is een venster. Door een venster kijk je uit naar iets anders. De drukt dus een verlangen uit. Àhàron zou je kunnen vertalen als het verlangen naar het licht dat verbonden is met de wereld van God.

8.2. Priesterkleding

Om hun taken uit te oefenen, moeten Aäron en zijn zonen speciale kleding dragen.

Het Hebreeuwse woord voor kleding is bègèd. Bègèd betekent ‘bedekken’. Volgens Weinreb staat kleding voor hoe wij hier verschijnen. Deze verschijning verbergt onze wezenlijke mens, onze nəsjamah.42)

In Exodus 28:2 worden de priesterkleren “heiligdomsgewaden”, “heilige kleren” genoemd. Bij een “heilige plek” hoort namelijk heilige kleding.

Deze kleding, zegt de tekst, zal hen kavōd en thifèrèth brengen. Kavōd betekent ‘gewicht’ en thifèrèth betekent ‘uitstraling’.

De kleding van de priesters is dus iets bijzonders, iets dat past bij de bijzondere plek waar ze zijn.

8.3. De kleding van Aäron

In Exodus wordt de kleding van de persoon die het dichtst bij God komt het eerst beschreven. Daarna volgt de kleding van de overige personen.

Iets dergelijks geldt voor de voorwerpen in de woning. Ook daar wordt eerst de àrōn beschreven en vervolgens de andere voorwerpen.

De persoon die het dichtst bij God komt is Aäron. Hij is te vinden in het “heilige” en één keer per jaar zelfs in het “heilige van de heiligen”, de plek waar de àrōn is. Als grote priester heeft Aäron acht kledingstukken:

  1. De efod, een kledingstuk waar twee schouderstukken aan vastzitten.
  2. De chosjèn, een kledingstuk dat zich voor de borst bevindt.
  3. De mə’īl, een blauwe mantel.
  4. De tsīts, een gouden plaat die zich op het voorhoofd bevindt.
  5. De kəthonèth, een witte mantel.
  6. De mitsnèfèth, een witte tulband.
  7. De àvnet, een gordel.
  8. De michnasàjim, een witte korte broek.

De eerste vier kledingstukken worden alleen gedragen door een grote priester. Rasji noemt dat de “gouden kleding” omdat in elk van hen goud aanwezig is.

De laatste vier kledingstukken worden ook door gewone priesters gedragen. Rasji noemt ze de “witte kleding”. Op de gordel na zijn ze helemaal wit.

Het enige verschil is de vorm van het hoofddeksel. Het hoofddeksel van de grote priester is rond zoals een tulband en het hoofddeksel van de gewone priester heeft twee punten zoals een mijter. Die mijter heet ook anders. Die heet geen mitsnèfèth maar migba’ōth.

Het achtste kledingstuk wordt ook door niet-priesters gedragen.

Bij de grote priester fungeert de “gouden kleding” als bovenkleding en de “witte kleding” als onderkleding. De grote priester heeft dus dezelfde kledingbasis als gewone priesters, maar daar overheen is nog iets anders te zien.

De gouden bovenkleding zal ik in de volgende twee paragrafen bespreken. De witte onderkleding in de paragraaf daarna, de paragraaf van de priesters.

8.4. De efod en de chosjèn

In Exodus worden de efod en de chosjèn het eerst en het uitgebreidst beschreven.43)

Beiden zijn gemaakt van de vier stoffen die ik in hoofdstuk 5 beschreven heb. Daarnaast is er ook goud in verwerkt. De vier stoffen staan voor het aardse en het geestelijke lichaam van de mens en het goud staat voor het licht.

Volgens de Joodse Overlevering hadden onze voorouders in het paradijs nog geen huid. Hun lichaam werd omgeven door licht.44)

Hier, bij de efod en de chosjèn, komt dat licht weer terug.

Beide kledingstukken bevatten stenen. De efod heeft twee stenen en de chosjèn heeft twaalf stenen. De stenen van de efod vind je op de beide schouderstukken en de stenen van de chosjèn op de borst.

In paragraaf 4.3 schreef ik dat stenen staan voor de verbinding tussen vader en zoon. De vader is hier God en de zoon is hier de mens zoals hij eigenlijk is, de mens die God weerspiegelt.

In de twee stenen van de efod zijn alle namen van de stamvaders van Israël gegraveerd. Hetzelfde geldt voor de twaalf stenen van de chosjèn. Volgens Weinreb zijn die namen aspecten van wie wij eigenlijk zijn, van onze nəsjamah dus.45)

Deze ets heet “Aäron en de kandelaar” en is tussen 1931 en 1939 gemaakt door Marc Chagall

De nəsjamah moet aan ons leven hier, het leven van onze nèfèsj, leiding geven. Zonder die leiding dwaalt onze nèfèsj maar wat rond.

De leiding van de nəsjamah begint bij de chosjèn, het kledingstuk op de borst. De borst is de plek waar het hart zit. Zoals ik in paragraaf 3.3. schreef, is dat hart een soort verstand, een verstand dat verbanden kan leggen.

Met behulp van de letters van de namen op zijn borst geeft Aäron ons antwoorden op onze vragen.

Het Hebreeuwse woord voor borst is chazèh. Chazèh is verwant met chozèh, wat ‘zien’ betekent. Vanuit zijn borst ziet Aäron alles.46) Daar lichten letters van de namen op om de vragen te beantwoorden. Dat gebeuren noemt de Bijbel de oerīm en de thoemīm, de ‘lichten’ en de ‘volkomenheden’.47)

De borst is dus de plek waar de mens alles kent.

Tot zover de chosjèn.

De stenen met de namen bevinden zich echter ook op de schouderstukken van de efod. De schouders zijn de plek waar de armen beginnen. Met de armen handel je. Om te kunnen handelen, moet je steeds kiezen wat je moet doen. Ook dat doe je hier niet met je nèfèsj, je psyche, maar met je nəsjamah, het deel van je ziel dat van God komt.

Daar heb je kennis voor nodig. En voor die kennis heb je de chosjèn nodig. Om te weten wat je moet doen, moet de efod dus verbonden zijn met de chosjèn. Dat staat dan ook een paar keer nadrukkelijk in de Bijbeltekst.

8.5. De blauwe mantel en de gouden plaat

Na de efod en de chosjèn worden de mə’īl en de tsīts beschreven.48)

De mə’īl is de blauwe mantel van Aäron. Blauw is de kleur van de mens die klaar is, die zijn doel in deze wereld heeft bereikt.

Aan de onderkant van de mantel bevinden zich om en om granaatappeltjes en belletjes.

De granaatappeltjes zijn van stof gemaakt. Het gaat hier om stof die uit drie kleuren bestaat, namelijk blauw, paars en rood. Alle drie zijn het kleuren van dierlijk materiaal. Samen staan ze voor het aardse lichaam van de mens.49)

Een granaatappel is een vrucht met veel zaden. Volgens Weinreb staan de granaatappeltjes aan de onderkant van de mantel daarom voor aardse vruchtbaarheid.

De belletjes zijn van goud. Goud staat voor het licht.

Als de klepeltjes en de klokjes tegen elkaar slaan, maken ze geluid. Het is het moment van de éénwording. Volgens Weinreb staan de belletjes aan de onderkant van de mantel voor hemelse vruchtbaarheid.50)

De mə’īl staat dus voor een lichaam dat zijn taak hier op aarde voltooid heeft en op weg is naar de éénheid.

De tsīts is een plaat van goud op het voorhoofd van Aäron. Op die plaat staat ‘heilig naar JHWH’. JHWH is de Naam van God, de Naam die de tweeheid één maakt. Naar die éénheid is Aäron dus op weg.

Tsīts kan vertaald worden met ‘bloesem, bloem’. De bloem staat weer voor de vruchtbaarheid.

Steeds worden er dus hinten over de éénwording gegeven. Deze éénwording vindt echter pas werkelijk plaats in het “heilige van de heiligen” de plek waar de àrōn staat.

Eénmaal per jaar gaat Aäron naar die plek toe. Hij moet dan echter al zijn “gouden kleren” afleggen. Het “kalf” wat de Israëlieten vereerden in plaats van God Zelf,51) was namelijk ook van goud en dat heeft Aäron zelf voor hen gemaakt.52)

Daarom draagt hij daar alleen maar witte kleren, kleren die ook de gewone priesters dragen.53)

8.6. De kleding van Aärons zonen

Aärons zonen zijn de “gewone priesters”. Zij zijn te vinden in de voorhof en hebben vier kledingstukken:

  1. De kəthonèth, een witte mantel.
  2. De migba’ōth, een witte mijter.
  3. De àvnet, een gordel.
  4. De michnasàjim, een witte korte broek.

Behalve de àvnet, de gordel, bestaat elk van deze kledingstukken uit enkel witte stof.

Een mens met een wit kleed is een mens die één is geworden.54) Priesters zijn dus mensen die één geworden zijn.

Hun vader Aäron heeft in zijn kleding echter nog de andere kleuren, namelijk rood, paars en blauw. Deze kleuren staan voor het aardse lichaam. Bij Aäron is het aardse lichaam ook opgenomen in die éénheid. Bij zijn zonen, de gewone priesters niet. Hun éénheid is een geestelijke éénheid.

Kleding met blauw, paars, rood en wit is dus heiliger dan witte kleding.

Hetzelfde zie je bij de stof van de woning zelf. De voorhof is alleen maar van witte stof en de misjkan zelf van blauwe, paarse, rode en witte stof.

Alleen de àvnet, de gordel van de priesters, bestaat uit blauwe, paarse, rode en witte stof. Volgens Weinreb is de gordel dat wat hemel en aarde, Gods wereld en onze wereld, met elkaar verbindt. Het witte staat hier dan voor Gods wereld en het blauwe, paarse en rode voor onze wereld.55)

Omhuld door deze kleding kunnen de priesters in de voorhof dienst doen. Dat behoedt hen ervoor te sterven in deze heilige ruimte.56)

Hetzelfde geldt voor hun vader Aäron, maar dan op een hoger niveau.

8.7. Onze eigen kleding

Volgens de Joodse Overlevering hebben wij, gewone mensen, maar één kledingstuk. Namelijk de michnasàjim, de witte korte broek.

Ook de priesters en de grote priester hebben dat kledingstuk, maar zij hebben daarnaast nog andere kledingstukken. Priesters en de grote priester zijn mensen op een hoger niveau.

“Gewone mensen” hebben alleen de michnasàjim. Dat is het kleed waarmee God ons bedekte nadat wij van de boom van de kennis van goed en kwaad hebben gegeten. We raakten God kwijt en schaamden ons wie we zonder Hem waren. Met dat kleed heeft God toen bij ons die schaamte bedekt.57)

Michnasàjim komt van kanàs, wat ‘verzamelen, bijeenbrengen’ betekent.

Toen de eerste mensen van boom van de kennis van goed en kwaad aten, vielen zij in generaties uiteen. De eerste mensen plantten zich voort. Een volgende generatie groeide op. Zijzelf stierven. De volgende generatie groeide op, enzovoort, enzovoort. Voortplanting brengt dus de dood.

God gaf ons de michnasàjim om onze voortplantingsorganen te bedekken. Zo ‘verzamelt’ hij ons weer, ‘brengt’ Hij ons weer ‘bijeen’.58)

De dood heeft dus niet het laatste woord. Door onze kleding en door de kleding van de priester en de grote priester maakt God ons weer één.

9. De zalfolie

De aankleding van de woning van God en van de mensen die daarin dienst doen is niet voldoende. Alles moet ook nog gezalfd worden. Dat zalven gebeurt met speciale zalfolie.59)

Toen ik de Hebreeuwse namen van de zalfolie-ingrediënten in mijn woordenboek opzocht viel mij op dat ze vaak met “vrijheid” of “bevrijding” te maken hadden. Zalven is dus vrijmaken. Echt vrij ben je pas als je verbonden bent met de wereld van God.

Volgens Weinreb verbindt de zalfolie je met de hemel. Het Hebreeuwse woord voor olie is sjèmèn. Sjèmèn is verwant met sjamàjim, wat ‘hemel’ betekent.60)

10. Verwante documenten

Het hoofddocument van de Hebreeuwse Bijbel is:

De Hebreeuwse Bijbel

Het hoofddocument van de Thorah is:

De Thorah

Het document waar “de woning van God” bij hoort is:

Het boek Exodus

4)
Zie Weinreb, F (1976) Korban, p. 169, 171
10)
Zie voor dit alles Weinreb, F (1972) De Weg door de Tempel, p. 218-220, 224, 225, 227-229.
11)
Weinreb, F (1976) De Bijbel als Schepping, p. 486.
12)
Sperling, Harry; Simon, Maurice; Levertoff, Paul P (vert) (1984) The Zohar, Volume III, p. 254-256.
15)
Zie Weinreb, F (1972) De Weg door de Tempel, p. 218.
17)
Zie voor dit alles ook Weinreb, F (1976) Korban, p. 170, 175, 177, 178.
22)
Zie Weinreb, F (1972) De Weg door de Tempel, p. 223, 224.
23)
Meer over ongezuurde broden kun je vinden in de volgende paragraaf.
25)
Zie Weinreb, F (1972) De Weg door de Tempel, p. 221, 223, 224.
27)
Zie Weinreb, F (1983) Gedragsonderzoek, p. 4.
29)
Zie paragraaf 4.3.
31)
Zie voor dit alles Exodus 26:1-30.
32)
Zie Weinreb, F (1972) De Weg door de Tempel, p. 163, 164, 205, 207-209.
38)
Onderwijzer, A.S. (1897) Nederlandsche vertaling van den Pentateuch (met commentaar van Rasji), II, p. 555-557.
40)
Zie voor dit alles Exodus 27:9-19.
41)
Weinreb, F, De hogepriester Aharon, p. 7.
42)
Weinreb, F (1976) Korban, p. 189.
45)
Weinreb, F, Stenen en kristallen, p. 9, 10.
46)
Weinreb, F, Stenen en kristallen, p. 6.
47)
Weinreb, F (1976) Korban, p. 201.
49) , 54)
Zie hoofdstuk 5.
50)
Weinreb, F (1976) Korban, p. 188, 200, 201.
52)
Onderwijzer, A.S. (1897) Nederlandsche vertaling van den Pentateuch (met commentaar van Rasji), III, p. 210, 211.
55)
Weinreb, F (1976), Korban, p. 190.
58)
Zie Weinreb, F (1976), Korban, p. 193.
60)
Weinreb, F (1976), Korban, p. 187.