• Exporteer naar PDF

Het Hebreeuws

1. Wat heb je aan Hebreeuws?

Met Nederlanders praat je Nederlands en met de rest van de wereld Engels, maar wat heb je aan Hebreeuws? Het hoort niet bij de talen van landen waar het gros van ons op vakantie gaat en het is ook geen taal van een opkomende macht zoals China. De praktische waarde van het Hebreeuws is dan ook te verwaarlozen. Hebreeuws is slechts de taal van een stokoud boek, de Hebreeuwse Bijbel, het heilige geschrift van de joden.

Zelfs deze joden spraken geen Hebreeuws. Al in de 6e eeuw voor onze jaartelling werd Hebreeuws als spreektaal verdrongen door het Aramees. En in de tijd van Jezus werd het Hebreeuws al eeuwen lang uitsluitend voor religieuze doeleinden gebruikt.

Goed, sinds enkele decennia hoor je in de staat Israël weer een taal spreken die als “Hebreeuws” klinkt. Ivriet heet die taal. Ivriet is echter geen Hebreeuws. Ivriet is wat er van het Hebreeuws gemaakt is om in het moderne leven te kunnen functioneren. Ivriet heeft een grammatica waar je praktisch mee uit de voeten kan. Ook kent het talloze nieuwe woorden om moderne begrippen en zaken mee aan te duiden.

Hebreeuws is iets anders. Hebreeuws is de taal van het boek dat de joden het “Woord van God” noemden.

In het begin van de jaartelling geloofde een deel van de joden dat hun tijdgenoot Jezus de belichaming van dit Woord was. Zij waren de eerste christenen. Met het oog op deze Jezus schreven sommigen van hen commentaren op de Hebreeuwse Bijbel. Deze commentaren schreven ze in het Grieks, de omgangstaal van de toenmalige wereld.

Het christelijke geloof sloeg aan in de hele Griekstalige wereld en werd al gauw een niet-joodse aangelegenheid. Deze niet-joden maakten dankbaar gebruik van de Septuagint, de Griekse vertaling die een groep Joden van de Hebreeuwse Bijbel gemaakt had. Evenals de joden erkenden zij dit Boek namelijk als het “Woord van God”.1)

Voor hen had dat “Woord van God” echter een vervolg. Dit vervolg bestond uit de commentaren die hun voorgangers op dit Woord geschreven hadden. Ze bundelden die commentaren en noemde die verzameling ”het Nieuwe Testament”. Het Woord zelf, noemden ze “het Oude Testament”. Zo ontstond de Bijbel, die eeuwenlang het “Boek der boeken” van onze eigen cultuur was.

Dat Boek heeft dus te maken met onze eigen “roots”. Om die “roots” goed te kunnen begrijpen is het handig om iets van het Hebreeuws te weten.

Als je meer wilt weten over de geschiedenis van dit Hebreeuws kun je op het volgende document klikken:

Zelf gebruik ik het Hebreeuws voor de onderdelen van mijn site waar ik teksten uit de Hebreeuwse Bijbel bespreek. Dít document is bedoeld als hulpdocument voor het lezen van deze onderdelen.

2. De letters van het Hebreeuws

2.1. Inleiding

Volgens de oude joodse rabbijnen en kabbalisten, is Hebreeuws geen gewone taal, geen taal waarin wij over alledaagse dingen met elkaar kunnen spreken. Voor hen is Hebreeuws de taal die God spreekt. Als God spreekt, ontstaat er iets, komt er iets tot stand. Alles wat wij hier kunnen zien, horen, voelen, enzovoort, is daar het resultaat van.

Het Hebreeuws kun je zien als een bouwplan. Met behulp van dit bouwplan bouwt God alles op wat er in ruimte en tijd verschijnt. Als je dit bouwplan kent, ken je ook het bouwwerk.

Volgens de kabbalisten geven Hebreeuwse woorden de zaken waarnaar ze verwijzen exact weer. Hebreeuws is voor hen dus een objectieve taal. Die objectiviteit is er tot in de kleinste onderdelen, de letters. Het Hebreeuws kent 22 letters. Al deze letters hebben:

  1. Een getal 2)
  2. Een beeld 3)
  3. Een vorm 4)
  4. Een klank 5)

2.2. Het getal

De Hebreeuwse letters geven dat waarnaar ze verwijzen zo precies weer dat ze getallen zijn. De eerste letter, de alèf, is een 1. De tweede letter, de bēth, is een 2. De derde letter, de gimèl, is een 3, enzovoort.

In de premoderne tijd vond men deze koppeling tussen letters en getallen heel normaal. Toen geloofde men namelijk dat je alles wat met God, met de Schepper, te maken had, uit kunt drukken in getalsmatige verhoudingen. Muziek bijvoorbeeld. Of de banen van sterren en planeten. Alleen wij mensen hebben iets chaotisch, maar dat komt omdat wij de neiging hebben om ons aan onze Schepper te onttrekken. Dat wat het dichtst bij God staat, het Woord van God, heeft natuurlijk al helemaal met getallen te maken.

Wij, moderne mensen, geloven vaak niet meer in God, maar meestal nog wel in de exacte wetenschap, de wetenschap die op de wiskunde gebaseerd is.

Neem bijvoorbeeld scheikunde. Iedere scheikundige gelooft dat je alle materie kunt herleiden tot atomen. Deze atomen kun je ordenen. Scheikundigen bedachten daarvoor het Periodiek systeem.

Elk atoom in dit systeem heeft een getal. Dat getal geeft aan hoeveel protonen6) er in het atoom zitten. Elk atoom bestaat namelijk uit een exact aantal protonen. Als je dat aantal zou wijzigen, krijg je een heel ander atoom, met heel andere eigenschappen. Die verschillende soorten atomen kunnen zich met elkaar verbinden tot moleculen. Ze nemen dan natuurlijk wel hun eigenschappen mee.

De 22 letters van het Hebreeuwse alfabet kun je vergelijken met dit periodieke systeem. Elk van de letters heeft haar eigen getal en dus haar eigen kenmerken. Evenals atomen kunnen die letters verbindingen vormen. Zo ontstaan de Hebreeuwse woorden. Evenals atomen nemen de letters in die woorden hun eigenschappen mee. Hebreeuwse woorden zijn niets anders dan combinaties van de eigenschappen van hun Hebreeuwse letters.

2.3. Eenheden, tientallen en honderdtallen

De Hebreeuwse letters kun je verdelen in:

  • Eenheden (1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9).
  • Tientallen (10, 20, 30, 40, 50, 60, 70, 80 en 90).
  • Honderdtallen (100, 200, 300 en 400).

De eenheden zijn getallen uit de wereld van God, getallen die er al waren voordat onze wereld er was. De eenheden zijn pure begrippen.

De tientallen komen als er beweging in de zaak komt, als de wereld ontstaat waarin wij leven. Tientallen zijn eenheden op een ander vlak. 10 is dus een 1 op een ander vlak, 20 is een 2 op een ander vlak, enzovoort.

Ooit komt de wereld waarin wij leven ten einde. Dan beginnen de honderdtallen, de getallen waarin een nieuwe wereld doorbreekt. Honderdtallen zijn tientallen op een ander vlak. 100 is dus een 10 op een ander vlak, 200 is een 20 op een ander vlak, enzovoort.

Met 400 houden de letters op. 400 is de laatste letter die wij hier nog kunnen uitdrukken. 500 is het getal van de wereld van God, van de hemel.

De som van 100, 200, 300 en 400 is 1000. Het Hebreeuwse woord voor 1000 is èlèf. Dit woord heeft dezelfde letters als alèf, het woord dat de “1” is. Zo zijn we weer terug bij het begin.7)

In de volgende tabel heb ik de letters die aan deze getallen gekoppeld zijn op een rij gezet. Als je meer wilt weten over de eigenschappen van één van deze letters, kun je daarop klikken:

Per letter bespreek ik niet alleen de getallen, maar ook de beelden, de vormen en de uitspraak die in de volgende paragrafen ter sprake komen.

2.4. Het beeld

Elke letter heeft niet alleen een getal, maar ook een beeld. Zo’n beeld is altijd iets concreets, iets dat in de toenmalige wereld erg belangrijk was. De 1, de alèf, heeft als beeld een “hoofd van een rund”. De 2, de bēth, heeft het “huis” als beeld, de 3, de gimèl, heeft de “kameel” als beeld, enzovoort.

De getallen drukken uit dat de letters uit Gods wereld komen en de beelden drukken uit dat ze afgedaald zijn naar onze wereld.

In de vorm van de letters zie je nog iets van de beelden terug. Het duidelijkst blijkt dat uit het oudste schrift, het schrift dat geleerden “Protosemitisch” noemen. Als voorbeeld neem ik de alèf:

In het Protosemitische schrift herken je duidelijk het “hoofd van een stier”. In het daarop volgende Foenicische schrift is het beeld veel abstracter weergegeven. Toch herken je nog wel de spitse snuit en de hoorns.

In het Hebreeuwse schrift is de abstractie zover doorgevoerd dat het beeld onherkenbaar is geworden. De betekenis van het beeld is echter wel behouden gebleven.

Ook in het Arabische schrift is het beeld niet meer te herkennen. Arabisch is een zustertaal van het Hebreeuws. De namen van de letters van het Arabische alfabet lijken op de namen van de Hebreeuwse letters. De Arabische alèf heet alif, de Arabische bēth heet , de Arabische gimèl heet djīm, enzovoort. Ook de getallen zijn hetzelfde.

Het Arabisch heeft echter 6 extra letters. Deze zijn doorgenummerd als 500 t/m 1000. Daarmee wordt dus iets uitgedrukt wat volgens het Hebreeuws niet uitgedrukt kan worden.

Terug naar het Foenicische beeld van de alèf. Als je dat beeld draait, lijkt het sprekend op de alfa van het Griekse schrift en ook op onze eigen A. In de punt van de A kun je dus nog steeds de snuit van de stier zien en in de poten van de A zijn hoorns.

De vorm van ons alfabet komt van het Hebreeuws. De beelden betekenen bij ons echter niets meer. De Grieken spraken nog van de alfa, maar bij ons is de a gewoon een a. Ook de getallen zijn bij ons weggevallen.

2.5. De vorm

De beelden brengen ook een gevaar met zich mee. Je kunt ze namelijk los gaan zien van hun goddelijke oorsprong. Het “hoofd van een rund” wordt dan een gewone stierenkop. Misschien is dat de reden dat er in de Hebreeuwse Bijbel veel abstractere letters worden gebruikt, namelijk de Assyrische letters.

Volgens de oude rabbijnen zijn de vormen van deze letters heilig. Deze vormen zeggen iets over de manier waarop God naar onze wereld komt. Bij elke letter gebeurt dat op een andere manier.

Bij de letter jōd gebeurt dit op de meest oorspronkelijke manier. De vorm van deze letter noemt Friedrich Weinreb dan ook de “oervorm”. Die “oervorm” ziet er als volgt uit:

De vorm van de jōd zegt iets over de wereld en over het doel dat God daarmee heeft.

In het begin is de wereld nog “in God” aanwezig. Omdat God één is, is de wereld in Hem ook nog één. De toestand van de wereld kun je dan vergelijken met de toestand van een foetus in de baarmoeder. Deze toestand wordt uitgedrukt door de bovenste punt van de letter.

Op een gegeven moment wordt de punt breder, wijkt hij uit elkaar. Dan ontstaat de tweeheid. Dat is een moment van grote paniek. Het kind wordt uit de baarmoeder gedreven. De wereld komt los van God te staan.

Onze wereld is een wereld waarin alles twee is. Er is licht en duisternis, hemel en aarde, man en vrouw, enzovoort. Dat betekent dat wij, mensen, voortdurend iets kwijt zijn.

Uiteindelijk wordt de spanning zo groot dat we op zoek gaan naar onze verloren tegenpool. De eenwording met deze tegenpool is het grote geluksgevoel. Zo komen we weer in God terecht.8)

De jōd is de eerste letter van JHWH, Gods eigen Naam. De jōd is de letter waarin alles weer goed komt. In de meeste andere letters ligt dat ingewikkelder. De meeste letters hebben namelijk twee niveaus:

  • Het niveau van de wereld van God.
  • Het niveau van onze wereld.

In die laatste wereld klopt er vaak helemaal niets meer van. Als voorbeeld neem ik de letter bēth:

Evenals de jōd en alle andere letters begint de bēth bij het bovenste puntje. Daar, waar alles nog één is, daalt God in de letter af. Al gauw begint echter de tweewording. Een tweewording die langer duurt dan bij de jōd.

Uiteindelijk wordt de eenheid toch bereikt. Op dat moment zijn we nog in de wereld van God, de wereld zoals God die bedoeld heeft.

Vanaf dat moment begint er echter een afdaling. Dat is de verticale lijn, de lijn naar een ander niveau, het niveau van onze wereld. In die wereld is de situatie geheel anders. Daar is geen sprake van eenwording. Daar is en blijft alles twee. In onze wereld is de eenwording een sprookje, waarin we graag willen geloven, maar die we niet kunnen zien, horen en voelen. De letter bēth geeft de situatie precies weer.

Andere letters hebben weer andere vormen. Al die vormen drukken weer andere situaties uit.

2.6. De sluitvorm

Vijf letters hebben aan het einde van een woord een andere vorm. Dat noemt men “sluitletters”. Alle “sluitletters” komen uit de tientallen, de letters die te maken hebben met onze eigen wereld. Het gaat om de kàf, de mēm, de noen, de en de tsadē.

Als het woord met één van deze letters eindigt, loopt er iets vast, kan er iets niet meer verder gaan. Vandaar die sluitletters.9)

2.7. De klank

Een Hebreeuwse letter heeft niet alleen een vorm, maar ook een klank. De vorm is haar lichaam en de klank is haar ziel. Wanneer je zo’n letter uitspreekt, beziel je haar, wek je haar tot leven.

Alle Hebreeuwse letters zijn medeklinkers. Om hen uit te spreken, gebruik je bepaalde delen van je mond. Er zijn vijf monddelen:

  1. Je lippen.
  2. Je tanden.
  3. Je tong.
  4. Je gehemelte.
  5. Je keel.

Bij de uitspraak van sommige letters spelen je lippen de hoofdrol, bij andere letters je tanden, je tong, je gehemelte of je keel. Je lippen vormen de buitenkant van je mond en je keel de binnenkant van je mond. De andere monddelen liggen daartussen. Lipletters zijn dus letters van de “oppervlakte” en keelletters letters van de “diepte”.

In de volgende tabel heb ik de uitspraak van lipletters, tandletters, tongletters, gehemelteletters en keelletters op een rij gezet:

Als je een letter uitspreekt, raken je bovenste monddelen en je onderste monddelen elkaar. Je bovenste monddelen staan voor de wereld van God en je onderste monddelen voor onze wereld.10) Letters uitspreken is dus een gebeuren waarbij God en onze wereld elkaar ontmoeten.

Bij de keelletters is die ontmoeting het subtielst. Dat is vooral zo bij de ’àjin en de alèf.

De ’àjin klinkt als een korte onderbreking van de klank van de stem. Een voorbeeld in het Nederlands is het geluid tussen de e en de a in het woord “beamen”. Ik geef de uitspraak weer met een ‘.

De alèf is zelfs helemaal niet hoorbaar. Daarom heb ik bij de uitspraak een streepje gezet.

2.8. De letters en de mens

Volgens de Sefer Jetsirah, een oud Kabbalistisch werk, kun je de letters als volgt indelen:

  1. Drie moederletters, namelijk sjīn, alèf en mēm.
  2. Zeven dubbele letters, namelijk gimèl, bēth, kàf, dalèth, rēsj, en thaw.
  3. Twaalf enkelvoudige letters, namelijk waw, , ’àjin, noen, lamèd, samèch, qōf, tsadē, jōd, tēth, chēth en zàjin.

De Sefer Jetsirah brengt deze letters in verband met de schepping van ons lichaam. Elk van de letters is verantwoordelijk voor de totstandkoming van een specifiek lichaamsgedeelte. De thaw heeft te maken met de mond, de ’àjin met de maag, enzovoort.

Eerst scheppen de drie moederletters de drie delen van ons lichaam:

  1. De sjīn schept ons hoofd.
  2. De alèf schept onze borst.
  3. De mēm schept alles onder onze borst.

Ons hoofd leidt ons hele lichaam. Juist daar hebben we een antenne voor het contact met God, met de Ene. Dat geeft de sjīn aan.

We kunnen echter ook voor het contact met de wereld kiezen. Als dat gebeurt, spreek je de sjīn anders uit. Niet als een sj, maar als een s. De s klinkt hetzelfde als de samèch. Het beeld van de samèch is een slang.

In de Bijbel is de slang degene die ons van de “boom van het kennis van goed en kwaad” laat eten. Als je daarvan eet, verlies je de eenheid en kom je in een wereld terecht die wij allemaal kennen: de wereld van de tweeheid. De sjīn is dan een sīn geworden.

De Masoreten onderscheiden de sjīn van de sīn door een punt boven de letter te zetten. Bij de sjīn zetten ze de punt rechts en bij de sīn links:

De zeven dubbele letters zorgen voor de “invulling” van het hoofd. Zij scheppen elk een “poort”, een opening. Het gaat hier om de ogen, de oren, de neusgaten en de mond.

Ook hier heb je weer twee uitspraken, evenals bij de sjīn en de sīn. In dit geval gaat het om een “harde” en een “zachte” uitspraak.

Bij de gimèl, de dalèth, de rēsj en de thaw kun je het verschil tussen de “harde en de zachte uitspraak niet meer horen. Bij de bēth, de kàf en de nog wel.

De Masoreten geven de harde uitspraak aan door een punt in de letter te zetten. De bēth spreek je dan uit als een b, de kàf als een k en de als een p.

Als er geen punt in de letter staat, spreek je de bēth uit als een v, de kàf als een ch en de als een f. Dat is de zachte uitspraak. Als je een letter zacht uitspreekt, is hij minder concreet. Hij “landt” dan niet goed “op de aarde”.

Tenslotte zijn er nog twaalf enkelvoudige letters. Dat zijn allemaal voluit “aardse” letters. Zij geven “invulling” aan allerlei delen van je lichaam. Aan je handen, je maag, je mild, je lever, je gal, je ingewanden, je dikke darm, je nieren en je benen.

De letters maken dus de mens.11) In de volgende afbeelding vat ik alles nog eens samen:

Als je meer wilt weten over het Hebreeuws en de mens kun je klikken op:

Hier staat ook van alles over de klinkertekentjes en de zangtekentjes die we nog zullen bespreken.

2.9. De letters van de Naam van God

De Naam van God is JHWH. JHWH bestaat uit een jōd, een , een waw en nog een .

Behalve de jōd, de en de waw beschouwt de Joodse Overlevering ook de alèf als een letter van de Naam van God. De alèf kun je namelijk ontleden tot twee jōds en een waw. Omdat de letters getallen zijn, kun je ze optellen. Als je beide jōds en de waw bij elkaar optelt krijg je 10 + 10 + 6 = 26. Dat is ook de getalswaarde van de letters van de Naam JHWH. De jōd, de de waw en de zijn samen namelijk 10 + 5 + 6 + 5 = 26. De alèf kun je dus beschouwen als de Naam JHWH in een notendop.12)

In de volgende afbeelding heb ik alles op een rij gezet:

Met de getallen van de alèf, de de waw en de jōd is iets aparts aan de hand. Deze getallen zijn respectievelijk 1, 5, 6 en 10.

De 1 blijft altijd een 1, hoe vaak je hem ook met zichzelf vermenigvuldigt.

Als je de 10 vermenigvuldigt, krijg je 100. Als je verder gaat, krijg je 1000, 10.000, enzovoort. De 10 houdt de 10 dus altijd in zich.

Hetzelfde gebeurt bij de 5 en de 6. Als je de 5 vermenigvuldigt, krijg je 25. Als je verder gaat, krijg je 125, 625, enzovoort.

Als je 6 vermenigvuldigt, krijg je 36. Als je verder gaat, krijg je 216, enzovoort.

De getallen zijn dus blijvend. Dat blijvende heeft met de Naam van God te maken.13)

Ook met de klank van deze letters is iets aan de hand. Vaak klinken ze zelf niet. Dan dragen ze slechts de klinker van de vorige letter. Ze verlengen die klank dan. In de grammatica worden ze “leesmoeders” genoemd.

Een waw kan soms zelf als klinker fungeren. De Masoreten hebben er dan een punt in gezet. Je spreekt hem dan niet uit als een w, maar als een oe.

2.10. Alle gegevens op een rij

In de volgende tabellen vind je de namen, getallen, beelden, vormen en uitspraak van alle letters op een rij:

3. De tekentjes voor het Hebreeuws

3.1. Tekentjes voor de klinkers

De Hebreeuwse Bijbel kun je beschouwen als een enorme verzameling Hebreeuwse letters die elkaar in allerlei combinaties opvolgen.

Laten we nu eens, gewapend met de kennis uit de vorige paragrafen, naar een klein stukje van deze Bijbel kijken.

Ik heb gekozen voor het eerste vers van de Hebreeuwse Bijbel. In christelijke vertalingen heet dat vers “Genesis 1:1”.14)

De eerste zwarte regel in de afbeelding is de zin zoals hij er in officiële Hebreeuwse Bijbels uitziet. Je leest de zin van rechts naar links.15)

De eerste letter van de zin is groter geschreven. Dit betekent dat die letter erg belangrijk is. Verderop in de Hebreeuwse Bijbel vind je andere grote letters. Ook vind je soms een kleinere letter, een letter die op zijn kop staat, enzovoort. Dat heeft allemaal een betekenis.

Onder elk Hebreeuws woord heb ik gezet hoe je dat woord uitspreekt. Daaronder vindt je, bruingekleurd, de volledige zin.

Zoals je ziet, is de zin onleesbaar. Wanneer je hem toch uit probeert te spreken, klinkt dat als onverstaanbaar gebrabbel. Alle letters zijn namelijk medeklinkers. Om de letters uit te kunnen spreken, moet je klinkers toevoegen.

Klinkers zijn echter geen “lichamen”, zoals de letters. Daarom kunnen ze zich niet manifesteren. In officiële Hebreeuwse Bijbels staan ze er daarom niet.

Joodse voorlezers weten uit hun hoofd welke klinkers er tussen die letters horen te staan. Om deze kennis vast te leggen, hebben de Masoreten lang geleden voor elke klinker een tekentje verzonnen. Deze tekentjes plaatsten ze onder of boven de medeklinkers van de Bijbel, precies waar ze hoorden. Zo ontstond de Masoretische tekst, een hulptekst om de Hebreeuwse Bijbel te lezen.

In de volgende zwarte regel op de afbeelding heb ik de letters voorzien van de klinkertekentjes die de Masoreten voorschrijven. In sommige letters staan punten die aangeven dat je daar de “harde uitspraak” moet gebruiken en boven beide sjīns staat een punt die aangeeft dat je deze letters uit moet spreken als “sj”.

Onder de Hebreeuwse zin heb ik aangegeven hoe je elk woord met al die tekentjes uitspreekt. Daaronder volgt weer, bruingekleurd, de hele zin. Tenslotte volgt de Nederlandse vertaling van de zin. Alleen het woord eth heb ik onvertaald gelaten. Eth geeft aan wat in een zin het lijdend voorwerp is.

Om Hebreeuwse teksten uit te kunnen spreken zijn klinkers dus onontbeerlijk. Klinkers rijgen de letters aaneen tot woorden. Er zijn acht klinkers:

  1. De sjəwa, de ə, die je uitspreekt als ‘uh’.
  2. De chīrèq, de i.
  3. De tsere, de e.
  4. De səgol, de è.
  5. De qibboets, de oe.
  6. De cholèm, de o.
  7. De qamèts, de a.16)
  8. De pàthàch, de à.

3.2. Klinkers, adem en wind

Als je een klinker uitspreekt, wijken je bovenste monddelen en je onderste monddelen van elkaar. Je adem komt er dan tussen. Zoals ik eerder schreef, staan je bovenste monddelen voor de wereld van God en je onderste monddelen voor onze wereld. De uitgeademde klinker vult dus de ruimte tussen de wereld van God en onze wereld.

Als je een sjəwa, een ə, uitspreekt, zijn die werelden heel dicht bij elkaar. Bij andere klinkers wordt die afstand groter. Het grootst is de afstand bij de pàthàch, de à. Uitgeademde klinkers drukken dus uit of je “dichtbij God” bent of juist niet.

Het Hebreeuwse woord voor adem is roeàch. Roeàch betekent ook ‘wind’. De wind kan uit verschillende richtingen waaien. Volgens de Joodse Overlevering heeft elke klinker een eigen “windrichting”17):

Bij elke klinker heb ik het tekentje geplaatst dat de Masoreten ervoor bedacht hebben. In een Hebreeuwse tekst staat zo’n tekentje onder de medeklinker die je voor deze klinker uitspreekt. Alleen het tekentje voor de cholèm niet. Die staat er boven.

3.3. Bijbelse windrichtingen

In de Hebreeuwse Bijbel is een richting niet iets willekeurigs.

Volgens Numeri 2:2-32 wijst God in de woestijn elke clan, elke stam van Israël een eigen plek aan. Drie stammen staan in het oosten, drie in het zuiden, drie in het westen en drie in het noorden. Elk drietal heeft zijn eigen hoofdstam:

  • Juda in het oosten.
  • Ruben in het zuiden.
  • Efraïm in het westen.
  • Dan in het noorden.

Het oosten is de kant van de zonsopgang, de kant van de blijdschap omdat er een nieuwe dag aanbreekt. Daar tegenover heb je het westen, de kant van de invallende schemering en van de droefheid die daarmee gepaard gaat.18) Het oosten en het westen vormen dus een tegenstelling.

Hetzelfde geldt voor het zuiden en het noorden. Het zuiden, de kant waar de zon het hoogst staat, is de plek van het weten en het noorden, de kant waar het nacht is, is de plek van de onwetendheid.

Je zou denken dat we ons in het zuiden dus van alles het meest bewust zijn, maar dat is juist niet het geval. In het zuiden is je intuïtie de baas. Je bewustzijn slaapt daar. Juist dan is het je echter duidelijk, weet je hoe het zit. In het zuiden weet je dat alles met elkaar te maken heeft, dat alles één geheel vormt.

In het noorden, waar het nacht is, is je bewustzijn klaarwakker. Dat bewustzijn kan de dingen echter niet bij elkaar krijgen. Dat blijft alles in stukken zien. Daarom kan het nooit écht iets weten.

In de volgende afbeelding vat ik dat alles samen:

In de Bijbel heeft een windrichting dus te maken met de manier waarop je tegen de dingen aankijkt. Leden van een stam die in het oosten staat, bekijken de dingen bijvoorbeeld heel anders dan leden van een stam die in het westen staat.

Dat Juda in het oosten, de kant van de blijdschap, thuishoort, kun je al zien aan zijn naam. Het Hebreeuwse woord voor Juda is Jəhoedah, wat ‘lofprijzing’ betekent. Juda is de stam van David, de Bijbelse harpspeler die ondanks alles wat hij meemaakte wist dat hij geliefd was. Wat er ook in zijn leven gebeurde, in zijn hart ging de zon nooit onder.19)

Voor Saul, Davids tegenspeler, was die “eeuwige blijdschap” een raadsel. Saul kwam van Benjamin, een stam van het westen, van de kant van de droefheid.20)

3.4. Elke klinker heeft een windrichting

Ook de klinkers hebben elk een eigen windrichting. Een windrichting die precies bij hem past. Dat merk je al aan de namen van de klinkers. In de volgende afbeelding heb ik deze namen vertaald:

Laten we eerst kijken naar de klinkers die in de vier hoofdrichtingen staan:

  • In het oosten de sjəwa.
  • In het westen de səgol.
  • In het zuiden de cholèm.
  • In het noorden de pàtàch.

Sjəwa betekent ‘nietig zijn’. De sjəwa, de ə, is de klinker die het minste indruk maakt. Daarbij gaat de mond namelijk maar een klein stukje open. Eerder zagen we echter dat God juist dan heel dichtbij is. De sjəwa mag dan een klinker in de schaduw zijn, juist daar vindt ze het grootste geluk.

Daar tegenover, in het westen, staat de səgol, de è. Səgol betekent ‘uitgekozen zijn’. De uitgekozene is degene die opvalt, die in de “picture” staat. Op het eerste gezicht dus iets heel aanlokkelijks. Toch komt daar juist veel ellende van. Anderen worden dan namelijk jaloers, met alle gevolgen van dien. Denk maar aan het Bijbelse verhaal van Jozef, die ook met deze westkant te maken heeft.21)

Alles lijkt dus anders dan het is. De onbetekenende sjəwa staat in het oosten, de kant van de blijdschap, en de opvallende səgol staat in het westen, de kant van de droefheid.

Cholèm betekent ‘droom’. Wat je droomt, kun je niet sturen. Dat is iets waar je bewustzijn geen greep op heeft. Daarom staat de cholèm in het zuiden, de kant van het onbewuste.

Tegenover de cholèm staat de pàtàch. Daar, in het noorden, doet het bewustzijn haar werk. Dat onderzoekt alle dingen, probeert elk geheim te weten te komen. Niet voor niets betekent pàtàch ‘geopend zijn’.

Al dat onderzoek heeft echter wel een prijskaartje. Bij de pàtàch, de à, is ook de mond het wijdst geopend. Eerder zagen we dat dit betekent dat God dan het verst van je verwijderd is. Bij de pàtàch voel je je alleen.

De cholèm drukt juist het gevoel van eenheid uit, het gevoel dat je niets mist. De o is de ronde klinker, de klinker van de volmaaktheid.

Tussen deze hoofdrichtingen staan nog vier andere klinkers:

  • In het zuidoosten de qibboets.
  • In het zuidwesten de tsere.
  • In het noordwesten de chīrèq.
  • In het noordoosten de qamèts.

Qibboets betekent ‘verzamelen wat verspreid is’. Bij de qibboets, de oe, komen de dingen bij elkaar. Dat is een vreugdevol proces. De qibboets ondergaat zowel de invloed van het zuiden, de kant van de heelheid, als die van het oosten, de kant van de blijdschap.

Ook de tsere ondergaat de invloed van het zuiden, van de kant van de heelheid. Maar daar is van blijdschap niets te merken. Dat komt door de invloed van het westen, de kant van de droefheid. Hoe dichter de dingen bij elkaar komen, hoe meer druk je ervaart. Niet voor niets betekent tsere ‘nood, benauwd zijn’.

De invloed van het westen, de kant van de droefheid, merk je ook bij de chīrèq. Daar is echter geen droefheid omdat de dingen te dicht bij elkaar komen maar omdat ze zich van elkaar verwijderen. Dat is de invloed van het noorden, de kant waar je je alleen voelt. Chīrèq betekent ‘uit de gemeenschap gehaald’.

Dat gevoel alleen te zijn is er ook bij de qamèts. Hier wordt het echter positief geduid. Dat komt door de invloed van het oosten, de kant van de blijdschap. Qamèts betekent ‘vasthouden van een deel’. Je weet dat je slechts een deeltje ben, slechts een deeltje hebt, maar je bent er toch blij mee.

De acht klinkers staan dus voor allerlei tegenstrijdige gemoedstoestanden. Gemoedstoestanden die je zowel bij God kunnen brengen, als je van Hem vandaan kunnen slepen. De roeàch, de wind, kan zowel het goede als het kwade brengen.

Roeàch betekent ook geest. Er zijn “goede geesten” en “boze geesten”. Goede geesten verbinden je met God en boze geesten kappen die verbinding af.

Ook God Zelf heeft een Geest. Dat is de Heilige Geest, de Geest waarmee Hij je naar het heiligdom toebrengt. Dat is de plek waar God Zelf is.

3.5. De klinkers van Jəhosjoe’à

Laten we teruggaan naar de Hebreeuwse Bijbel. Elk woord van deze Bijbel bestaat uit letters die met behulp van de klinkers met elkaar verbonden worden.

Zo’n woord kun je beschouwen als een weg die God aflegt om naar onze wereld te komen.22) Op deze weg spelen allerlei gevoelens een rol. Dat zijn de klinkers.

Vrijwel elke letter heeft een begeleidende klinker, een begeleidend gevoel. De Masoreten gaven dat vorm door een klinkertekentje onder de betreffende letter te plaatsen.

Laten we eens naar zo’n woord kijken.

Ik heb gekozen voor Jəhosjoe’à. Dat is de naam van iemand uit de Hebreeuwse Bijbel die in Nederlandse vertalingen “Jozua” genoemd wordt. Jozua is degene die de Israëlieten in het “beloofde land”, in het “paradijs” brengt.

Jəhosjoe’à is ook de naam voor de centrale persoon in het Griekstalige Nieuwe Testament, namelijk Jezus.

In het Grieks spreek je Jezus uit als Jèsoes. In de Septuagint heet ook Jozua zo.

Het gaat hier echter om het Hebreeuwse woord. Met letters en klinkers ziet dat er als volgt uit:

De naam Jəhosjoe’à bestaat uit vijf letters, namelijk een jōd, een , een waw, een sjīn en een ’àjin.

De eerste drie letters zijn de eerste drie letters van JHWH, de Naam van God. De laatste van deze Naam, de , ontbreekt. Daarvoor in de plaats staan twee andere letters, namelijk de sjīn en de ’àjin.

Deze laatste twee letters zijn verwant met het woord sjo’à. Sjo’à betekent ‘rijk zijn, vrijgevig zijn, overvloedig geven’. Het gaat dus om iemand die met anderen graag zijn rijkdom wil delen. Jəhosjoe’à zou je kunnen vertalen als ‘JHW(H) geeft’.

Laten we nu naar de letters en de klinkers kijken. De eerste letter is de jōd. In paragraaf 2.5 noemde ik dat de letter van de “oervorm”. In de jōd komt alles uit God tevoorschijn en gaat er ook weer naar terug. Dat geeft een groot geluksgevoel.

Het klinkertekentje onder deze jōd is een sjəwa. De sjəwa drukt het gevoel uit dat God heel dichtbij is. Dat geeft Jəhosjoe’à zoveel geluk dat hij zich niet hoeft te laten gelden. Hij kan klein en nietig zijn.

De tweede letter is de . Het beeld van de is het venster. De drukt een verlangen uit. In dit geval gaat het om een “hemels verlangen”, om het verlangen van Gods wereld naar onze wereld.

Bij de staat geen klinker.

De derde letter is de waw. Het beeld van de waw is de haak. Een haak verbindt het ene met het andere.

De klinker boven de waw is de cholèm. Cholèm betekent ‘droom’. In een droom heb je het gevoel dat alles compleet is. De cholèm is de o, de klinker van het ronde, het volmaakte.

De waw, de letter waar die cholèm boven staat, is een leesmoeder.23) Dat betekent dat hij niet zichzelf, maar de klinker uitdrukt. In dit geval is dat de cholèm, de droom waarin alles met alles verbonden wordt.

Jəhosjoe’à wil zijn geluk delen met alle anderen. Dat is zijn droom.

We hebben nu de eerste drie letters van JHWH, de Naam van God, gehad. Drie “hemelse” letters, drie letters waarin Jəhosjoe’à zich in Gods wereld bevindt, de wereld waarin alles al goed is.

Dan krijg je twee “aardse” letters, twee letters waarin Jəhosjoe’à zich in onze wereld begeeft, de wereld waar van alles vaak geen bal klopt.

De eerste “aardse” letter is de sjīn. Dat is de letter van het gebed. Dat gebed vindt plaats in het hoofd, waar vanuit het hele lichaam geleid wordt.24)

De klinker die onder die letter staat, is de qibboets. Qibboets betekent ‘verzamelen wat verspreid is’. Alles wat Jəhosjoe’à beleeft, verzamelt hij en brengt hij in zijn gebed naar God toe.

Zo wordt alles een eenheid.

Dan komt de laatste letter, de ’àjin. Het beeld van de ’àjin is het oog. Onze ogen zien alles in stukjes. Onze ogen zien de veelheid. Die ogen worden nu ook Jəhosjoe’à’s ogen. Ook Jəhosjoe’à ziet nu de versplintering.

Onder de ’àjin staat een pàthàch. Deze klinker drukt uit dat je je met elk stukje van de veelheid bezighoudt. Dat heeft wel een prijskaartje. Bij de pàthàch is de mond het wijdst geopend. Dat betekent dat God hier het verst van je verwijderd is.

Om zijn droom te verwezenlijken, stort Jəhosjoe’à zich zo in de veelheid dat hij God zelf kwijtraakt. Hij holt de deeltjes zover achterna dat hij zich evenals hen alleen gaat voelen.

Dat alles betekent Jəhosjoe’à.

En zo zijn er nog heel veel andere woorden. Woorden waarin God een weg aflegt naar onze wereld en waarin allerlei gevoelens meespelen. Van al die woorden kun je de letters en de klinkers bespreken.

3.6. Tekentjes voor de zang

De klinkers verbinden de letters tot een woord. Toch zijn we er daarmee nog niet. Zo’n woord staat namelijk tussen allerlei andere woorden. Hoe vormen die woorden zich tot een zinvol geheel?

Dat doet de zang. De zang maakt van al die woorden een zin. Deze zin vormt samen met andere zinnen een hoofdstuk, dat op zijn beurt, samen met andere hoofdstukken, een Bijbelboek vormt. Dit Bijbelboek tenslotte, vormt samen met andere Bijbelboeken de Hebreeuwse Bijbel.

Van die Bijbel wordt door een voorzanger op elke sjabbat en op feestdagen in de synagoge een stuk gezongen. Dat doet hij op aanwijzing van de Masoreten. De Masoreten hebben namelijk voor die zang allerlei zangtekentjes bedacht.

Bijna elk Hebreeuws woord heeft zo’n zangtekentje. Dat tekentje vindt je bij de eerste letter van de lettergreep die de klemtoon krijgt. Meestal is dat de laatste lettergreep van het woord. Bij zo’n tekentje hoort een melodietje. Dat melodietje geeft aan hoe het woord gezongen moet worden.

Sommige langere woorden hebben nog een tweede tekentje. Dat wordt dus gezongen met twee “aan elkaar geregen” melodietjes.

Een indruk van deze melodietjes krijg je op de website LearnTrope.com. Daar vind je allerlei sets om zangtekentjes te leren zingen met melodietjes die gebruikt worden voor de Thorahlezing25) en de Haftarah.26)

Als je op zo’n set klikt, verschijnt er een tweede venster op je scherm. Op dat venster vind je de Hebreeuwse namen van allerlei zangtekentjes. Als je op zo’n naam klikt, hoor je hoe je zo’n zangtekentje moet zingen.

De melodie van een Hebreeuwse zin is dus een combinatie van de melodietjes van de zangtekens die bij de woorden van deze zin staan.

In dit geval zou dat een melodie zijn in de Asjkenazische traditie. Er zijn ook andere zangtradities. Daarbij klinken de zangtekentjes weer anders.

Behalve de Thorah en de Profeten leest men in de synagoge ook andere Bijbelboeken. Ook daarbij klinken de zangtekens weer anders. Ook bij bepaalde feestdagen worden de zangtekens anders gezongen.

Voor Job, Spreuken en de Psalmen wordt zelfs een heel ander set met zangtekentjes gebruikt. Voor sommige tekentjes worden dezelfde namen gebruikt, maar ze hebben een andere functie.

De zangtekentjes geven niet alleen informatie over de melodie, maar ook over de structuur van de zin.

Er zijn twee soorten tekentjes:

  • Məlachīm ofwel ‘koningen’.
  • Məsjarthīm ofwel ‘dienaren’.

“Koningen” brengen scheiding aan tussen woorden. Als er “koning” bij een woord staat, is dat woord gescheiden van het woord dat erop volgt. “Dienaren” verbinden woorden. Als er een “dienaar” bij een woord staat, is dat woord verbonden met het volgende woord.

Laten we weer teruggaan naar Genesis 1:1. In paragraaf 3.1 heb ik de klinkertekentjes van die Hebreeuwse zin laten zien. In de volgende afbeelding voeg ik daar de zangtekentjes bij:

Onder elk van de zeven Hebreeuwse woorden staat één zangtekentje. Met blauwe pijltjes geef ik aan waar ze precies staan. Vier van deze tekentjes zijn “koningen” en drie zijn “dienaren”. Deze “koningen” noem ik delers en de “dienaren” verbinders.

De belangrijkste deler staat achteraan de zin, onder het woord ha-arèts. Dat is de siloeq. De siloeq is een verticaal streepje dat de klemtoon aan het einde van een vers aangeeft.

Achter de zin staat nog een sof pasoeq, die er uitziet als een dubbele punt. Deze hoort niet bij de zangtekens.

Elke Hebreeuwse zin heeft een siloeq en een sof pasoeq.

Onder het woord Èlohīm staat de versdeler, de èthnachtha. Dat is een dakje dat het vers in twee delen splitst. De delen van een vers kunnen sterk in lengte verschillen.

Elke Hebreeuwse zin heeft zo’n èthnachtha. Alleen de zinnen in Job, Spreuken en de Psalmen niet. Die hebben een andere versdeler. Deze bestaat uit twee tekentjes die onder verschillende letters staan.

Terug naar Genesis 1:1. Behalve de twee belangrijkste delers heeft deze zin nog twee minder belangrijke delers en drie verbinders.

De delers zijn allebei tifcha’s. Van de verbinders is de eerste een moenach. De andere twee zijn mercha’s. Zij verfijnen de structuur van de zin, zodat je precies weet hoe de woorden zich tot elkaar verhouden.

Behalve deze tifcha’s, moenach’s en mercha’s zijn nog veel meer delers en verbinders mogelijk. Die worden weer in andere zinnen gebruikt.

Aan het einde van de afbeelding laat ik schematisch zien hoe de structuur van Genesis 1:1 eruit ziet. De bruine streep scheidt de versdelen van elkaar. Die wordt veroorzaakt door de èthnachtha. De bruine stippellijnen zijn het gevolg van de beide andere delers. Met drie horizontale haakjes geef ik aan waar de verbinders aan het werk zijn.

Al die tekentjes samen laten zien welke plaats elk woord in de zin heeft en hoe je de zin dus moet lezen. Ze vormen het eerste commentaar op een tekst.

De zin van Genesis 1:1 maakt deel uit van een groter geheel. Dat grotere geheel is Genesis 1:1-5. Deze verzen vormen samen wat wij een “hoofdstuk” zouden noemen.

Aan het einde van elk “hoofdstuk” plaatsten de Masoreten een losse .

Zo’n “hoofdstuk” kan onderverdeeld zijn in “paragrafen”. Het einde van zo’n paragraaf geven de Masoreten aan met een losse samèch.

Deze “hoofdstukken” en “paragrafen” kunnen sterk in lengte verschillen.

De paragrafen en hoofdstukken vormen samen een Bijbelboek. De Bijbelboeken vormen samen de Hebreeuwse Bijbel.

3.7. Naar het heiligdom

De Bijbelse zangers zijn de Levieten. Al zingend begeleiden zij de Israëlieten als ze naar het heiligdom trekken.27)

In paragraaf 3.3 schreef ik over de twaalf stammen die in de woestijn in de vier windrichtingen zijn opgesteld. In het midden van die stammen bevindt zich het heiligdom. Dat is de plek waar God verschijnt.

Tussen dat heiligdom en de stammen bevinden zich de Levieten. Ook deze Levieten zijn weer in vieren verdeeld. Dat wordt beschreven in Numeri 3:17-39.

In het oosten zijn de Levieten die voor het heilige zelf zorg dragen. Daartegenover, in het westen, zijn de Levieten die zorg dragen voor dat wat het heilige bedekt. Zoals we weten is het westen de kant van de droefheid. Als je daar bent, heb je het gevoel dat er iets tussen jou en het heilige in staat. In het oosten ervaar je dat zo niet.

Het zuiden is de plek van de Levieten die zorg dragen voor de voorwerpen van het heilige. Daartegenover, in het noorden, zijn de Levieten die zorg dragen voor de planken van het heilige. Eerder zagen we dat het noorden de plek is waar je alles in stukken ziet. Verder dan de buitenkant kom je daar niet. De “binnenkant” ervaar je daar niet. In het zuiden ervaar je die “binnenkant” wel. Daar ervaar je alles nog als één geheel.

In de volgende afbeelding vat ik dat alles samen:

Hoe je je ook voelt, waar je ook staat, er zijn altijd Levieten die je al zingend naar het heiligdom, naar God, kunnen brengen. Daar, bij God, is alles één.

Op dezelfde manier maakt de synagoge-zang van al die verschillende woorden de Hebreeuwse Bijbel.

4. Hoe onderzoek je de Hebreeuwse Bijbel?

4.1. Vertalingen

In de vorige hoofdstukken heb ik betoogd dat de Hebreeuwse Bijbel geen gewoon boek is. Dat elke letter, elk tekentje in die Bijbel iets betekent.

Misschien heeft mijn verhaal je nieuwsgierig gemaakt naar dat boek en heb je op internet gegoogled op “Hebreeuwse Bijbel”. Misschien heb je zo’n Bijbel inmiddels gevonden, heb je een blik op de letters en tekentjes geworpen en de tekst daarna met een zucht weggeklikt.

Hoe kan dat vreemde boek met die rare letters en tekentjes iets voor je gaan betekenen?

Om de Hebreeuwse Bijbel te onderzoeken, kun je beginnen met er een goede Nederlandse vertaling van te lezen. Grofweg zijn er twee soorten vertalers:

  • Vertalers die de nadruk leggen op het Nederlands.
  • Vertalers die de nadruk leggen op het Hebreeuws.

Vertalers van de eerste soort letten erop of het Nederlands klopt en mooi klinkt. Waar ze dat nodig vinden, gooien ze de woordvolgorde van de Hebreeuwse tekst om. Ook letten ze erop dat ze voor één Hebreeuws woord niet steeds hetzelfde vertaalwoord gebruiken. Onduidelijkheden in de tekst ruimen ze zoveel mogelijk uit de weg, omdat de lezer alles goed moet kunnen begrijpen.

Vertalers van het tweede soort willen zo precies mogelijk overbrengen wat er in het Hebreeuws staat. Ze doen dat bijvoorbeeld door eendere woorden en woordstammen zo veel mogelijk met hetzelfde Nederlandse woord te vertalen. Ook letten ze op de volgorde waarin de Hebreeuwse woorden staan en laten ze onduidelijkheden in de tekst gewoon staan.

Een vertaling waarin het Nederlands de nadruk heeft, is de Groot Nieuws Bijbel. Als je een eerste indruk van een Bijbelverhaal wilt krijgen, is deze Groot Nieuws Bijbel een goede keuze.

Een Bijbel in nog gemakkelijker Nederlands is de recente Bijbel in gewone taal.

Als je wilt weten wat er woord voor woord in het Hebreeuws staat, zijn zulke vertalingen echter niet geschikt. Dan kun je beter een Statenvertaling pakken. Deze vertaling uit de 17e eeuw kun je met haar originele kanttekeningen op de site van de Gereformeerde Bijbelstichting raadplegen. Zij hebben daarvoor het programma GBS Digitaal 3.0 ontwikkeld.

Tegenwoordig is er ook een modernere versie van de Statenvertaling, namelijk de Herziene Statenvertaling, maar die is wat minder precies als de originele Statenvertaling. De Herziene Statenvertaling kun je raadplegen op de site van de Stichting Herziening Statenvertaling. Als je op het nummer van een Bijbelvers klikt, verschijnt daaronder het Hebreeuws en de originele Statenvertaling.

Een andere Bijbelvertaling die de nadruk legt op het Hebreeuws is de Naardense Bijbel van Pieter Oussoren. Oussoren heeft de Bijbel vaak nog preciezer vertaald dan de Statenvertalers. Zijn vertaling kun je raadplegen op de zoekpagina van de Naardense Bijbel.

Deze vertaling gebruik ik als ik op mijn site naar een Bijbelgedeelte verwijs.

Oussoren heeft ook enkele Masoretische aanwijzingen overgenomen:

In de eerste plaats is dat de versdeler. Die geeft Oussoren aan met een “,-“ of met een “;”. De hoofddeler van de Psalmverzen geeft hij aan met een Davidsterretje.

In de tweede plaats zijn dat de pē’s en samèch’s die het einde van een Hebreeuws “hoofdstuk” en een Hebreeuwse “paragraaf” aangeven. Oussoren geeft een aan met een dikke punt en een samèch met twee dikke punten.

De hoofdstukken en paragrafen die wij in onze vertaalde Bijbels zien, hebben daar niets mee te maken.

Oussoren heeft de Bijbelboeken in de volgorde van de Hebreeuwse Bijbel geplaatst. De Statenvertalers doen dat niet. Net als vrijwel alle andere vertalers. Die hebben de volgorde van de Griekse Septuagint aangehouden.

4.2. Het Hebreeuws zelf

Met behulp van de vertaling kun je de buitenste laag van de Hebreeuwse Bijbel lezen. Je weet welke personen erin voorkomen, wat ze meemaken, wat ze zeggen, enzovoort.

Dat is het beeldverhaal.

Als je de Hebreeuwse woorden zelf wil onderzoeken, moet je het origineel raadplegen. Deze woorden betekenen namelijk vaak meerdere dingen tegelijkertijd. Vertalers moeten daarom constant keuzen maken.

Dat zie je al bij ons voorbeeld, Genesis 1:1. De Herziene Statenvertalers vertalen dit vers als ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde’ en Pieter Oussoren vertaalt het als ‘Bij begin is God gaan scheppen, de hemelen en het aardland’.

Het Hebreeuwse woord dat de vertalers met ‘begin’ vertalen is resjīth. Resjīth betekent echter niet alleen ‘begin’ in de zin van een vroegere toestand, maar ook ‘eerste’ in de zin van beste of voornaamste. Je zou de zin dus evengoed kunnen vertalen als ‘In hoofdzaak schiep God de hemel en de aarde’, of als ‘In de eerste plaats is God gaan scheppen, de hemelen en het aardland’.

In het verhaal is de vertaalkeuze die de Herziene Statenvertalers en Oussoren gemaakt hebben logischer, maar er valt wel iets weg. Iemand die deze vertalingen leest, kan niet meer zien wat resjīth nog meer betekent. Voor zulk graafwerk is het goed om de Hebreeuwse Bijbel zelf ter hand te nemen.

Laat ik eerst eens zo’n Bijbel laten zien. Dit PDF-bestand bijvoorbeeld, bevat de volledige Hebreeuwse Bijbeltekst van de Masoreten, compleet met klinkers en zangtekentjes, in de editie van Christian David Ginsburg uit 1894. Onderaan de tekst vind je voetnoten met Masoretische aanwijzingen.

Als je geen Hebreeuws kent, heb je echter weinig aan dit bestand. Dan kun je beter een hulpmiddel zoeken.

Op internet kun je zulke hulpmiddelen vinden. Eén ervan is de Engelstalige Interlineaire Bijbel. Een Interlineaire Bijbel is een Hebreeuwse Bijbel waarbij onder elk Hebreeuws woord de letterlijke vertaling staat.

Laten we daar Genesis 1 eens bekijken. Je ziet dan de Hebreeuwse tekst van dat Bijbelgedeelte met onder elk woord de Engelse vertaling. Boven zo’n Hebreeuws woord vind je het bijbehorende Strongnummer.

Strongnummers zijn een uitvinding van James Strong. Die heeft aan elk grondwoord van de Hebreeuwse tekst een nummer gegeven.

Als je op zo’n Strongnummer klikt, kom je bij het “grondwoord” terecht, het woord waarvan het woord in de tekst is afgeleid. Ook zie je dan wat dat woord nog meer kan betekenen.

Dat grondwoord is ook handig om het woord op te zoeken in een Hebreeuws woordenboek. In zo’n woordenboek zie je vaak nog meer alternatieve vertalingen staan. Al die alternatieven samen vormen de betekenis van het woord.

Zelf heb ik lange tijd het Engelstalige Pocket Hebrew Dictionary van Langenscheidt gebruikt. Tegenwoordig gebruik ik Heblex, het Nederlandstalige “Woordenboek van het Bijbels Hebreeuws” van Peter D.H. Broers.

4.3. De gewone analyse van Hebreeuwse woorden

Het Hebreeuws kent twee soorten woorden:

  • Woorden met een stam, die meestal uit drie Hebreeuwse letters bestaat.
  • Letters en woordjes die ik “klein grut” noem.

De woorden met een stam kunnen zowel werkwoorden als naamwoorden zijn. De stam in zo’n woord geeft aan wat de basisbetekenis van het woord is. Daarnaast bevat zo’n woord vaak één of meer grammaticale letters. Deze grammaticale letters laten zien:

  • Of zo’n woord een werkwoord of een naamwoord is.
  • In welke persoon het woord staat.
  • Wat het geslacht van het woord is.
  • Of er sprake is van enkelvoud of meervoud.

En als er sprake is van een werkwoord geeft het ook nog aan:

  • Wat de “tijd” is waarin dat werkwoord staat.
  • Wat de stamvorm van dat werkwoord is.

Ook klinkers kunnen over zulke zaken informatie geven.

Behalve deze werkwoorden en naamwoorden zijn er nog de voorzetsels, het voegwoord, het lidwoord en ander “klein grut”. Dat zijn letters of woordjes die de tweedeling “stam” en “grammaticale letters” niet kennen.

Dit “klein grut” zegt iets over de stamwoorden. Als het maar uit één letter bestaat vormt het daar zelfs één geheel mee. Deze letters hebben geen Strongnummer.

Ander “klein grut” heeft dat wel.

Stamwoorden hebben natuurlijk ook Strongnummers. Die Strongnummers verwijzen dan naar de grondvorm van het woord, de vorm die ontdaan is van alle grammaticale toevoegsels.

Als je meer wilt weten over de grammatica van de werkwoorden en naamwoorden in een zin, is een Bijbelcomputerprogramma erg handig. Zelf gebruik ik daarvoor het computerprogramma Bible Works. Dat programma geeft in de Hebreeuwse tekst onder elk werkwoord of naamwoord aan welke grammaticale gegevens daarbij horen.

Laten wij eens naar de grammatica van onze voorbeeldzin kijken:

Met blauw heb ik aangegeven welke letters en woordjes “klein grut” zijn. Voor dit “klein grut” zijn er geen grammaticale aanwijzingen nodig.

De zin bevat vijf woorden met een stam: vier naamwoorden en één werkwoord. De grammaticale aanwijzingen heb ik lichtbruin gekleurd. “M” betekent mannelijk, “v” betekent vrouwelijk, “2v” betekent tweevoud en “mv” betekent meervoud.

Het naamwoord resjīth, ‘begin’, is een vrouwelijk woord. Dat zie je aan de uitgang īth. Ook het naamwoord arèts, ‘aarde’ is vrouwelijk. Dat kun je echter niet aan het woord zien. Het naamwoord Èlohīm, ‘God’, is een meervoud. Dat zie je aan de uitgang īm. Er staat dus letterlijk ‘goden’.28) Het naamwoord sjamàjim, ‘hemel’, is een tweevoud. Dat zie je aan de uitgang àjim. Die heeft dezelfde letters als het meervoud, maar andere klinkers. De hemel is dus iets dubbels. Iets dat twee dingen tegelijkertijd is.

Het werkwoord bara staat in de “hij-vorm”. De “tijd” van het werkwoord is de Perfectum. Ik noem dat het werkwoord van het ogenblik. Dat is het werkwoord waarvan de handeling in één ondeelbaar moment gebeurt. De “stamvorm” van het werkwoord is de Qal. Dat is de gewone stamvorm.29) Op grond van deze gegevens kun je het werkwoord bara hier vertalen met ‘(hij) schept in een ogenblik’.

Grammaticale aanwijzingen geven dus veel informatie over de Hebreeuwse woorden.

Als je meer wilt weten over Hebreeuwse stammen, grammaticale toevoegsels en “klein grut” verwijs ik je naar:

In dat document bespreek ik de belangrijkste zaken van de Hebreeuwse grammatica.

Ik doe dat echter niet op de gebruikelijke manier. Voor de oude rabbijnen en kabbalisten is het Hebreeuws namelijk geen gewone taal, maar een taal waarin God spreekt. De “regels” van de Hebreeuwse grammatica zijn dan geen willekeurige regels met allerlei uitzonderingen die je uit je hoofd moet leren, maar “manieren” waarop God naar onze wereld komt.

4.4. De diepere analyse van Hebreeuwse woorden

Als je nog dieper in het Hebreeuws wilt duiken, moet je woorden niet beschouwen als “black boxen” waar je niet in kunt kijken. Dan moet je verder gaan dan de drieletterige stam en op zoek gaan naar de tweeletterige stam, die in de Sefer Jetsirah genoemd wordt.

In hoofdstuk 2 heb ik het Hebreeuwse alfabet vergeleken met een periodiek systeem, waarin elke letter op zichzelf al wat betekent. Ook heb ik betoogd dat zij die betekenis meenemen als zij woorden vormen.

Als je er vanuit gaat dat Hebreeuwse woorden niets anders zijn dan combinaties van letters die op zichzelf al wat betekenen, kun je nog veel dieper in de tekst komen.

Om die stap te maken, kun je gebruik maken van de tweeletterige stam. Alle woorden die deze stam bevatten, horen bij elkaar. Samen vormen ze een netwerk van betekenissen.

Over deze tweeletterige stam heb ik het volgende document geschreven:

In dat document laat ik zien hoe je tweeletterige stammen ontdekt en wat je er verder mee kunt. Je zult zien dat het Hebreeuws daarmee veel rijker wordt.

Gewapend met de kennis van de tweeletterige stammen zul je ook beter kunnen begrijpen waarom de oude rabbijnen en kabbalisten zulke “rare verbanden” tussen Hebreeuwse woorden leggen.

4.5. De Joodse Overlevering

De geschriften van de oude rabbijnen en kabbalisten vormen samen de Joodse Overlevering. In deze geschriften wordt uitleg gegeven over de Hebreeuwse Bijbel. Volgens orthodoxe joden is deze uitleg onontbeerlijk om de Bijbel te kunnen begrijpen.

Een deel van de geschriften is vertaald in het Engels. Er staan echter dingen in die je zonder uitleg niet kan begrijpen. Veel uitleg kun je vinden in de geschriften van Friedrich Weinreb.

Ik heb drie documenten over Weinreb geschreven.

Het eerste document is:

Daarin schrijf ik iets over zijn leven en over hoe hij de geheimen van de Hebreeuwse taal ontdekt heeft.

Het tweede document is:

Daarin schrijf ik over de Joodse Overlevering, de traditie waarin Weinreb zichzelf zag staan.

Het derde document is:

Daarin schrijf ik over Weinrebs ontmoeting met het Nieuwe Testament en zijn ontdekking dat daarin diezelfde Joodse Overlevering haar werk deed.

Als je een boek of een cursus van hem wil lezen, kun je dat bestellen bij de Academie voor de Hebreeuwse Bijbel en de Hebreeuwse taal.

Orthodoxe joden lezen de Hebreeuwse Bijbel zelf vaak met behulp van het commentaar van Rasji. Een Hebreeuwse Bijbel met dat commentaar kun je vinden op de Engelstalige site Chabad.org. Kies een Bijbelboek en Bijbelgedeelte en klik op “Show” om Rasji’s commentaar op de verzen zichtbaar te maken.

2)
Zie 2.2. en 2.3.
3)
Zie 2.4.
4)
Zie 2.5. en 2.6.
5)
Zie 2.7., 2.8 en 2.9
6)
Atomen zijn opgebouwd uit nog kleinere deeltjes, namelijk protonen, elektronen en neutronen.
7)
Zie voor dit alles Weinreb, F (1992), Het Hebreeuwse Alfabet, Les 3, p. 22, 23; Les 4, p. 1, 14.
8)
Zie Weinreb, F (1992), Het Hebreeuwse Alfabet, Les 2, p. 4-7, 10-12, 15, 16.
9)
Zie Weinreb, F (1992), Het Hebreeuwse Alfabet, Les 3, p. 45.
10)
Zie Weinreb, F. (1992), Het Hebreeuwse Alfabet, Les 4, p. 29.
11)
Zie Weinreb, F (1993), Het Hebreeuwse Alfabet, Les 11, p. 6-44.
13)
Zie Weinreb, F (1993), Het Hebreeuwse alfabet, p. 42.
14)
“Genesis” is de naam van het Bijbelboek, “1” is het eerste hoofdstuk van dat Bijbelboek en “:1” is het eerste vers van dat hoofdstuk.
16)
Soms spreek je de qamèts uit als een o.
17)
Zie Weinreb, F. (1975), Antropologie II, p. 85-130.
20)
Zie Saul.
23)
Zie paragraaf 2.9.
24)
Zie paragraaf 2.8.
25)
De lezing van de Thorah is het hoogtepunt van de synagogedienst. De Thorah is namelijk de kern van de Hebreeuwse Bijbel.
26)
De Haftarah is de lezing van de Profeten, de boeken die naar de Thora verwijzen.