• Exporteer naar PDF

Weinreb en waarheid

1. Mijn ontdekking

Toen ik een paar jaar na Friedrich Weinrebs dood zijn hoofdwerk De Bijbel als Schepping in de boekwinkel zag liggen, had ik nog nooit van deze joodse schrijver gehoord.

Volgens de achterzijde van het boek ging het over de traditionele joodse uitleg van de Hebreeuwse Bijbel. Een uitleg die eeuwenlang van leraar op leerling overgedragen was en in de eerste eeuwen van onze jaartelling op schrift is gesteld.

Ik kocht het boek en was al bij de eerste bladzijden “om”. Hier schreef iemand met een in mijn ogen reusachtige kennis van de Bijbel. Ik had in die tijd al heel wat boeken over de Bijbel in mijn kast staan, maar vergeleken met dit boek zonk het allemaal in het niet. Dit boek ging dieper en verder. Dit boek ontsloot voor mij een nieuwe wereld.

Achterin het boek werd verwezen naar de Academie voor de Hebreeuwse Bijbel en de Hebreeuwse taal. Zij gaven boeken, brochures, uitgetypte cursussen en gesproken cursussen van Weinreb uit. Alles in mijn eigen taal, want Weinreb had een groot deel van zijn leven in Nederland gewoond.1)

Ik bestelde van alles en kwam in een fascinerende wereld terecht. Een wereld vol van wijsheden. Wijsheden die de mijne te boven gingen. Wijsheden die zoveel gezag hadden dat ik mij er met plezier aan overgaf.

Weinreb werd mijn nieuwe Bijbelleraar. Met behulp van zijn boeken en cursussen ging ik op ontdekkingsreis in de Bijbel en kwam ik op plekken waar ik nog nooit was geweest.

Friedrich Weinreb, getekend door Helma

Jaren daarvoor heb ik op een Bijbelschool vergeefs Hebreeuws proberen te leren, maar nu ging het allemaal vanzelf. Weinreb ontsloot voor mij de geheimen van de Hebreeuwse letters en leidde mij door het woud van betekenissen van de Hebreeuwse woorden. Voor dat laatste maakte ik dankbaar gebruik van de concordantie van Hans Hartsuijker. Een concordantie van meer dan duizend bladzijden voor de Hebreeuwse woorden die Weinreb in zijn werken bespreekt.

2. De zaak Weinreb

2.1. Een spel in de oorlog

Jaren na mijn ontdekking kwam ik erachter dat niet iedereen blij met Weinreb was. Dat veel van mijn landgenoten zelfs ronduit een hekel aan hem hadden.

Dat kwam door de Tweede Wereldoorlog.

In 1969 had Weinreb zijn driedelige memoires over die periode uitgegeven. Collaboratie en verzet 1940-1945, een poging tot ontmythologisering heette dat boek.

Weinreb had een spel gespeeld met de Duitse politie om zo veel mogelijk mede-Joden uitstel te geven voor het transport naar Westerbork en van daaruit naar Auschwitz of andere concentratiekampen in Polen.

Hij zette deze mensen op een “Weinreb-lijst”, zogenaamd in opdracht van een verzonnen Duitse generaal.

Die wachttijd gaf sommigen de kans om onder te duiken. Minstens vijftig mensen kregen met Weinrebs hulp onderduikadressen, valse paspoorten en zo nodig geld en hebben op die manier de oorlog overleefd.2)

Tot tweemaal toe liep Weinreb tegen de lamp. Net op tijd is hij met zijn gezin ondergedoken.

2.2. Een proces

Na de bevrijding ging Weinreb naar Den Haag om de Nederlandse autoriteiten op de hoogte te brengen van zijn spel in de oorlog. Het liep echter anders dan hij verwacht had. Hij kwam een Nederlander tegen die hij in oorlogstijd bij de Duitse politie had gezien en die bang was dat Weinreb hem zou verraden. Dankzij hem belandde hij, als Jood, in een gevangenis met NSB’ers en SS’ers.

De autoriteiten vonden Weinrebs verhalen over de generaal ongeloofwaardig.

En, gaf Weinreb toe, het was ook iets ongelofelijks. In een interview met Ischa Meijer uit 1984 zei hij over zijn spel met de Duitsers:

Ik heb ook nooit iets gerichts gedaan. Er stak geen plan, geen systeem, geen idee achter. Ik heb van moment tot moment geïmproviseerd. Ik fantaseerde. Ik was een fantast.3)

In zijn niet lang voor zijn plotselinge dood geschreven boek De gevangenis oppert hij:

Als ik de pose had aangenomen van de held in exotisch vechtpak, had men kunnen zeggen: ‘Kijk, een van onzen! Een trotse held, zijn mes druipt nog van het bloed van de Duitsers die hij heeft afgeslacht.’ Ik vertelde daarentegen hoe het toeval, hoe God mijn lot bestuurde, hoe ik mij van dag tot dag zelf steeds meer verwonderde dat het zo ging.. werd meegesleurd, zelf niet geloofde dat zoiets zelfs maar mogelijk was. Het was ook onmogelijk’.4)

De autoriteiten geloofden er in ieder geval niets van en starten een uitgebreid onderzoek naar hem, maar het was moeilijk om iets te bewijzen.

Tenslotte bleven er twee zaken over:

  1. Weinreb had aan rijke Joden geld gevraagd, honderd gulden, en dat gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor het was gegeven.
  2. Weinreb had zich schuldig gemaakt aan verraad, dat geen ernstige gevolgen had gehad voor zijn mede-Joden. Hij zou bijvoorbeeld mensen in de gevangenis hebben uitgehoord en dit hebben doorverteld aan de Duitsers.

Op grond van deze beschuldigingen werd hij in 1947 veroordeeld tot drie en een half jaar gevangenisstraf, een vonnis dat een jaar later verhoogd werd tot zes jaar. Hij kwam echter na drie en een half jaar vrij.

2.3. Een RIOD-rapport

In de zestiger jaren begon alles weer opnieuw.

In opdracht van het RIOD, het toenmalige NIOD, had de Joodse historicus Jacques Presser de Ondergang geschreven. In dit in 1965 verschenen rapport over de vervolging van de Nederlandse Joden had hij Weinreb een zondebok genoemd die ‘voor het tekortschieten van talloze niet-joden had geboet’.5)

Veel Nederlanders wilden dat hij gerehabiliteerd werd. Op aandrang van de schrijfster Renate Rubinstein schreef Weinreb zijn bovengenoemde memoires. In de nabeschouwing analyseerde politicus Aad Nuis de vonnissen en betoogde dat Weinreb zonder overtuigende bewijzen veroordeeld was.

Er ontstonden twee kampen. Het ene was fel voor Weinreb en het andere fel tegen Weinreb. De Tweede Kamer bemoeide zich ermee en gaf RIOD-medewerker A.J. van der Leeuw en oud-raadsheer D. Giltay Veth opdracht om de Weinreb-zaak opnieuw uit te zoeken.

Jarenlang werkte het duo aan het rapport. Tussentijds schreef men in de media hoe het onderzoek ervoor stond en dat voorspelde niet veel goeds voor Weinreb.

In zijn boek De gevangenis schrijft Weinreb over de mediaberichten:

Dat men nu al ontdekt en bewezen had dat ik een gemene egoïst, geldwolf, vrouwenjager en verrader in optima forma was geweest’.6)

Een psychiatrische inrichting (was) voor mij de aangewezen verblijfplaats.. Want ik was een gevaar voor de maatschappij, een nagelbijter, ziekelijke leugenaar, uitbuiter, bedrieger.7)

Men gaf zelfs een vernietigend oordeel over Weinrebs boeken over de Bijbel:

Mijn boeken zouden door theologen zijn afgedaan als waanzin, als bedrog, als kabbalistisch gebazel.8)

In 1976 kwam het rapport eindelijk uit. Het telde 1700 bladzijden en heette ‘Rapport door het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie uitgebracht aan de minister van Justitie over drs. F. Weinreb gedurende de jaren 1940-1945, in het licht van nadere gegevens bezien’.

De onderzoekers hadden niet alleen de conclusies van de rechtbank overgenomen. Ze hadden nog vele andere verraadzaken op Weinrebs rekening geschreven. En, erger nog, ze beweerden dat zeventig mensen door zijn schuld waren omgekomen.

Ook beweerden ze dat hij een oplichter, een zedendelinquent en een psychisch gestoord mens was.

Aad Nuis vond dat zij niet op zijn argumenten waren ingegaan en bekritiseerde het rapport in zijn boek ‘Het monster in de huiskamer’. In dit boek ging Nuis de beschuldigingen van de onderzoekers stuk voor stuk na en betoogde hij dat ze geen van allen onderbouwd waren. Nuis verwees het rapport dan ook naar de prullenbak.

In een aanvulling op het rapport reageerden de beide onderzoekers daar weer op.

2.4. Een proefschrift

Negen jaar na Weinrebs overlijden promoveerde historica Regina Grüter op hem met haar lijvige proefschrift ‘Een fantast schrijft geschiedenis. De affaires rond Friedrich Weinreb’.

Het proefschrift was niet veel anders dan een bewerking van het rapport van het RIOD. Nieuw was het psychologisch onderzoek dat Grüter op de dode Weinreb toepaste. Volgens haar vertoonde Weinreb negentien psychiatrische ziektebeelden:

Afweer door vlucht in fantasie, grootheidswaanzin, geldingsdrang, behoefte aan erkenning, behoefte aan bewieroking, behoefte macht uit te oefenen, behoefte te manipuleren, wonderrebbe willen zijn, heilbrenger willen zijn, pseudo-arts zijn, sadistische neigingen, behoefte op groter voet te leven dan hij kon, zwendel, verslaafd aan fantaseren, snoeplust, paranoia, vijandschap, wrok’ en ‘een gebrekkige gewetensfunctie’.9)

Dit alles staat wel heel ver af van het beeld dat ik van Weinreb krijg als ik zijn boeken en cursussen lees.

2.5. En de analyse

Door dit proefschrift begon de strijd rond Weinreb weer helemaal opnieuw. Nieuwe Weinreb-verdedigers stonden op. In de eerste plaats René Marres die in zijn boek Frederik Weinreb, verzetsman en groot schrijver al het materiaal opnieuw analyseerde.

Tijdens de bestudering van de verraadzaken viel hem op:

  • Dat de onderzoekers mensen ondervroegen over gebeurtenissen die dertig jaar geleden hadden plaatsgevonden.10)
  • Dat vele ondervraagden elkaar en zichzelf tegenspraken, dat sommige van hen enkel afgingen op geruchten, dat het vaak erg onwaarschijnlijk was dat in die situatie Weinreb verraad kon hebben gepleegd en dat anderen daarvoor evenzeer of meer in aanmerking kwamen.11)
  • Dat veel van de ondervraagden die de onderzoekers serieus namen er belang bij hadden Weinreb te laten hangen. In de eerste plaats de kroongetuigen van het rapport, de SD’ers die Weinreb in de oorlog om de tuin had geleid, maar ook anderen.12)
  • Dat de onderzoekers aan ‘vaak zwak, en steeds onvoldoende gefundeerde verdenkingen kracht van bewijs’ toekenden en dikwijls zijn schuld al bewezen achten als er ‘een lichte aanwijzing’ was ‘dat Weinreb wel eens schuldig zou kunnen zijn’, dat het ‘niet uitgesloten’ was ‘dat Weinreb verraad gepleegd zou kunnen hebben’.13)
  • Dat een ‘praatje uit de derde hand’ voor de onderzoekers vaak al voldoende was om Weinreb schuldig te verklaren.14)
  • Dat de onderzoekers uit de getuigenissen van de door henzelf toegevoegde verraadzaken steeds dat oppikte dat tégen Weinreb pleitte en alles verwierpen wat vóór Weinreb pleitte.15)
  • Dat sommige ondervraagden tijdens het verhoor passages uit Weinrebs boek werden voorgelezen die voor hen ongunstig waren.16)
  • Dat de onderzoekers ‘geen advocaat en rechters tegenover zich hadden, aan wie zij het bewijsmateriaal voor moesten leggen’ en toch zulke grote conclusies trokken.17)

Weinreb zelf beschrijft de werkwijze van de onderzoekers als volgt:

Alle beschuldigingen tegen hem (Weinreb).. halen we (de onderzoekers) weer te voorschijn en we doen alsof deze nooit door de politie zijn onderzocht en als onhoudbaar verworpen.. Alle klagers erbij, die.. geen gehoor vonden omdat de rechters hun getuigenis als onbewijsbaar of onbewezen niet konden laten meewegen.. Aangezien wij geen rechters zijn, hoeven we Weinreb niet te horen. Voor ons bestaat hij eenvoudig niet; het materiaal over hem, dat willen we verzamelen, alles wat zijn vijanden van toen en nu over hem willen getuigen. Dat noemen we dan een ‘historisch’ onderzoek. De vijanden noemen hem een schurk. Dat nemen we dan over als getuigenis. En mochten ze intussen vergeten zijn hoe ze.. tegen hem hebben getuigd, dan helpen we een beetje, of heel stevig’.18)

Zowel Marres als Weinreb concluderen dus dat de onderzoekers partijdig waren.

En al dat gedoe leidde volgens Marres nog nergens toe ook. Ze konden niet bewijzen of zelfs maar aannemelijk maken dat Weinreb in de door hen onderzochte zaken verraad had gepleegd.19)

Ze konden hun zwakke bewijsvoering slechts verhullen door de hoeveelheid bladzijden die het rapport telde en door het prestige van het instituut waarvoor ze werkten.20)

En toen het rapport er eenmaal lag, konden ze niet meer terugkrabbelen. Wanneer ze de kritiek van Nuis serieus hadden genomen, had dat gezichtsverlies voor het instituut betekend.21)

Grüters proefschrift was echter welkom in hun ogen. Grüter had het rapport van de onderzoekers onkritisch beaamd en door haar werk met de Lou de Jongprijs te bekronen, had het instituut eigenlijk zichzelf bekroond.22)

In Marres’ ogen staat de kritiek van Nuis op het rapport echter op bijna alle punten nog recht overeind. Als de onderzoekers in hun rapport ‘hun argumenten tegenover die van Nuis hadden gezet’, zou de lezer volgens Marres ‘zonder al te veel inspanning hebben kunnen zien dat zij.. zwak stonden’.23)

Naast de verraadzaken sleepten de onderzoekers er ook andere zaken bij. Ze meenden bijvoorbeeld dat Weinreb zijn lijsten gebruikt had om mensen op te lichten en gemakkelijk rijk te worden. Volgens Marres zou Weinreb dan echter heel anders gehandeld hebben. De beschuldigingen van de onderzoekers zijn volgens hem totaal ongeloofwaardig.24)

Dat de onderzoekers er zedenzaken bijhaalden, was in zijn ogen nog knulliger. Daarmee verlaagden ze zich tot roddelbladenjournalistiek. Om over de psychiatrische etikettering maar te zwijgen.

Zelfs Weinrebs boeken over de Bijbel hadden ze aangevallen. Van der Leeuw had Gershom Scholem, de beroemde Joodse autoriteit op het gebied van de Kabbala, de joodse mystiek, de uitspraak ontlokt dat Weinreb op dit gebied een charlatan is. Volgens J. H. Laenen, een kenner van de Joodse mystiek, is hier echter iets merkwaardigs aan de hand. Weinrebs kennis over de Joodse mystiek is volgens hem namelijk gedegen en met zijn opvattingen staat hij zonder twijfel in de joodse traditie.25)

Als Marres gelijk heeft, moeten de onderzoekers wel een grote afkeer van Weinreb hebben gehad om zo’n rapport af te leveren. Soms lichtten ze volgens Marres zelf een tipje van de wetenschappelijke sluier op. Zo schreven ze over Weinrebs driedelige oorlogsmemoires:

Naar onze overtuiging heeft Weinreb.. het hele Nederlandse jodendom willen treffen. Want ook met de Nederlandse joden als geheel.. de Nederlandse ambtenaren en rechters.. het verzet, ja.. het Nederlandse volk rekent Weinreb op dezelfde rancuneuze wijze af.’26)

Die rancune kan ikzelf in zijn memoires niet ontdekken. Volgens Marres zijn de onderzoekers wellicht geraakt door Weinrebs beschrijving ‘hoe slaafs de Nederlandse overheid de Duitsers diende bij de vervolging van de joden’.27)

De Nederlandse autoriteiten en de politie.. en ook de Joodse Raad voerden namelijk tot in detail stipt en prompt’ uit, ‘wat de nazi’s verordonneerden’.28)

Tachtig procent of meer van de Nederlandse Joden zijn door de nazi’s vermoord. Veel meer dan in andere Europese landen. Zelfs in het fascistische Italië bleef de helft van de Joden gespaard.

Weinrebs eigen optreden stond in schril contrast met het gezagsgetrouwe gedrag van de Nederlandse autoriteiten. Weinreb erkende ‘de maatschappelijke hiërarchie in de oorlogsjaren’ niet eens en speelde er zijn eigen spel mee. Daarmee liet hij de lezers van zijn memoires zien hoe je je kon verzetten zonder geweld te gebruiken.29)

Hoezeer de onderzoekers Weinreb verfoeiden, blijkt volgens Marres ook uit een uitspraak over Koch, de SD’er die van de drie kroongetuigen de hoogste rang had. Zij noemden Koch namelijk ‘het slachtoffer van Weinreb’. Blijkbaar konden ze zich beter identificeren met een gezagsgetrouwe SD’er dan met een Joodse rebel.30)

3. Weinreb zelf

3.1. Inleiding

De zaak Weinreb is inmiddels in de media uitgegroeid tot een onoverzienbare hoeveelheid beweringen. Google maar eens een uurtje op “Friedrich Weinreb” en je zult versteld staan. Hoe kom je met al die “voorkennis” nog bij de boodschap die Weinreb wilde brengen?

In zijn boek De gevangenis vertelt Weinreb over de ontdekking die tot deze boodschap leidde. Rondom deze ontdekking ontwaart hij echter drie ringen. Van binnen naar buiten zijn dat:

  1. De ring van de toehoorders.
  2. De ring van de autoriteiten.
  3. De ring van de praatjes.

Schematisch ziet dat er als volgt uit:

Weinreb heeft het dan over zijn gevangenistijd. Want in de gevangenis deed hij, omringd door toehoorders, autoriteiten en praatjesmakers, de ontdekking die tot al zijn boeken en cursussen zou leiden.

Volgens mij geldt dit schema echter voor Weinrebs hele leven en zelfs voor zijn situatie nu hij gestorven is. Want ook nu ontnemen de toehoorders, de autoriteiten en de praatjesmakers ons het zicht op wat hij ons werkelijk wil zeggen.

3.2. De praatjes

De eerste barrière die wij moeten nemen, zijn de praatjes die we zo gauw geneigd zijn te geloven.

In 1945 beet Weinrebs aangever hem al toe:

Als je eenmaal een jaar vastzit, doet de stem des volks het zijne.. Ze zullen nooit een woord van je geloven. Want iedereen zegt: die praat alleen maar om zich vrij te pleiten’.31)

Ruim veertig jaar later en vele vijanden “rijker” schrijft Weinreb:

Geruchten verbreidden zich snel, zoals dat gaat met geruchten. De mens leeft vaak met sensaties omdat er in hemzelf zo weinig gebeurt. En vaak heeft hij die sensaties ook nodig als afleiding van zijn eigen leed’.32)

Weinreb denkt daarbij niet alleen aan mondelinge geruchten, maar ook aan geruchten die via de massamedia verspreid worden.

Ook nu nog schrijven de meeste journalisten negatief over Weinreb. En dat doen ze volgens Marres33) vaak zonder te checken of zijn bestrijders gelijk hebben. Hierbij moet wel gezegd worden dat de onderzoekers met hun lijvige rapport het journalisten niet gemakkelijk maken om deze zaak te onderzoeken. Als ze alleen de samenvatting van het rapport lezen, merken ze dat daar ‘nauwelijks een vraagteken’ te vinden is, maar alleen een ‘aarzelloze veroordeling van Weinreb in alle opzichten’.34)

Moe van al die scheldkanonnades wilde ook Weinreb wel eens populair gevonden worden. Hij kwam daar echter weer snel op terug. In een televisieprogramma uit 1970 zei hij:

Er was een enquête gehouden over kwestie mijzelf betreffende.. Daar bleek uit, dat 62% van de ondervraagden van me wisten en vonden, dat er iets gebeuren moest. De eerste flits is dan, zo dat is mooi 62%, maar tegelijkertijd kwam die flits.. tjonge, tjonge nou ben je echt op weg naar de 98% van Hitler. Als je maar populair en plat genoeg bent dan krijg je ook 98%. Als je iedereen maar gelijk geeft en naar zijn zin praat’.

En hij vervolgde:

Als je mij vraagt, eerlijk vraagt dan heb ik liever 10, 20 of 100 mensen die me kennen en die goed bevriend met me zijn en mijn dingen goed begrijpen. Dat is waardevol voor altijd en dat is geloof ik het moeilijke punt in de wereld nu. Men kijkt teveel naar wat men zegt. En dat “men” wordt weer gekweekt door wat men dan de massamedia noemt.. Ik zou schrikken als ze mij zouden zeggen, je hebt 5000 aanhangers, dan zou ik zeggen, tjonge, hoe raak ik er nu 4000 kwijt. Dat kan niet, ik ben altijd bang als men te gauw zegt van “je hebt gelijk”. Je kent me niet eens’.35)

3.3. De autoriteiten

De tweede barrière die wij moeten nemen, zijn de autoriteiten die wij, omdat zij autoriteiten zijn, meteen geneigd zijn te geloven.

Iemand die tot zes jaar gevangenisstraf veroordeeld is door de rechterlijke macht en van nog veel ergere dingen is beschuldigd in een lijvig rapport van een gerenommeerd instituut als het RIOD, moet wel een crimineel zijn.

Of niet? Hebben mensen die een bepaalde positie bekleden per definitie de waarheid aan hun kant?

Op Weinreb maakten de autoriteiten die hem beschuldigden weinig indruk. Volgens hem bewezen zij met hun beschuldigingen alleen maar dat ze zelf ergens mee zaten.

In zijn boek De gevangenis schrijft hij dat hijzelf ‘geen behoefte’ had aan rehabilitatie. Wie ‘behoefte’ had ‘aan rehabilitatie’ dat was ‘de staat.. het gezag’.36)

3.4. De toehoorders

De derde barrière die we moeten nemen, zijn Weinrebs toehoorders.

Drie en een half jaar heeft Weinreb als Jood tussen de NSB’ers en SS’ers in de gevangenis gezeten. Net als hen noemden de gevangenisbewakers Weinreb een “nazi”.

Niemand zit hier vanwege zweetvoeten’, schreeuwden ze als iemand beweerde dat hij onschuldig was.37)

Als het hem uitkwam, was Weinreb echter weer een Jood voor hen. Op een keer was hij samen met een nazi, een SS’er en een NSB’er op stap met twee mensen van de marechaussee. Eén van hen gebood Weinreb een stok in zijn broekspijp te steken zodat hij niet kon ontsnappen. ‘En de anderen, hoeven die dat niet?’ vroeg Weinreb aan hem. ‘Dat zijn toch mensen zoals wij’, antwoordde hij, ‘maar een jood kun je niet vertrouwen’.

In zijn boek vervolgt Weinreb:

De andere drie lopen moeiteloos; ik heb problemen met de stok. Ik heb er plezier in. Ik voel me nu als jood voor het eerst duidelijk verheven boven die twee.. van de militaire politie’.38)

Omdat de gevangenen in voorarrest zitten, mogen ze overdag bij elkaar op bezoek gaan.39) In de cel geeft Weinreb zijn eerste cursus over de Bijbel. Het is een vreemd stelletje. Een Jood vertelt en de SS’ers en NSB’ers luisteren toe. En als er iemand komt controleren, doen ze net alsof ze kaarten.

Als de dominee binnenkomt kan één van de cursisten echter zijn mond niet houden: ‘Dominee, we leren uit de bijbel. Meneer Weinreb vertelt zo mooi’. ‘Noemt u dat bijbelles?’, verzucht de dominee, ‘Bij een jood? Weet u wie Jezus heeft omgebracht? En van die mensen wilt u bijbelles?40)

Eén van Weinrebs luisteraars was de Nederlandse nazi die hem tijdens zijn spel met de generaal toegebeten had dat hij hem dood zou martelen als hij merkte dat hij hen bedonderde.41) Dezelfde man zei voordat hij geëxecuteerd zou worden tegen Weinreb dat zijn Bijbellessen de mooiste herinnering aan de gevangenistijd voor hem waren.42)

Er belandde ook een andere Jood in de gevangenis. Iemand die door een mede-Jood vals beschuldigd was van verraad. ‘Waarom moeten die gojiem43) dat weten’, vroeg deze Jood toen hij merkte dat Weinreb Bijbelles aan de nazi’s gaf, ‘Die willen toch alleen maar vreten en zuipen. En dan beginnen ze te moorden’.44)

Weinreb vroeg aan de autoriteiten of zijn volksgenoot zijn cel mocht delen en vierde samen met hem de Sjabbath.45)

Naar zijn goede raad over “die gojiem” heeft Weinreb echter niet geluisterd. Aan “die gojiem” is Weinreb zijn hele leven Bijbelles blijven geven. Of dat nu katholieken, protestanten, vrijmetselaars of theosofen waren.46)

3.5. De ontdekking

Als we de praatjes over Weinreb willen checken, de autoriteiten die hem beschuldigen niet op voorhand geloven en ons niet meer ergeren aan “vreemde snoeshanen” die Weinrebs cursussen volgden, komen we bij de kern aan. Bij de ontdekking die Weinreb in de gevangenis deed. De ontdekking van de ‘wereld van het woord47), van het Hebreeuws en de Hebreeuwse Bijbel.

Dit Hebreeuws en die Hebreeuwse Bijbel vergelijkt hij met de “ark van Noach”, een boot die voorkomt in het Bijbelse zondvloedverhaal.

Voordat het water de oude wereld overspoelt, komen er van alle levende wezens enkele in deze “ark”. Zo blijven zij behouden en kunnen straks, als het water weggezakt is, de nieuwe wereld bevolken.

Het Hebreeuwse woordje voor “ark” is thevah, wat ‘woord’ betekent.48) Eigenlijk gaat dit verhaal dus over het woord, over het Hebreeuws en de Hebreeuwse Bijbel. Dit woord bevat alles wat wij kunnen zien, tasten, enzovoort. En daarnaast bevat het ook haar ‘levende inhoud’, dat wat wij niet kunnen zien of tasten.49)

Als de oude wereld ten onder gaat, blijft alles in dat woord bewaard en als de nieuwe wereld aanbreekt, kan het via dat woord weer tot leven komen.

De bouwer van de “ark” was Noach, die de trooster genoemd wordt.50) De naam Noach is namelijk verwant met het Hebreeuwse woord nèchamah wat ‘troost’ betekent.

Het woord Noach bestaat uit een noen en een chēth. De getalswaarde van de noen is 50 en de getalswaarde van de chēth is 8. Samen is dat 58. 58 is dus het getal van de troost. Noach geeft troost als alles ten ondergaat.

Van dit zondvloedverhaal zag Weinreb ook iets in zijn eigen leven voltrekken.

Net als Noach wilde Weinreb ‘troost brengen aan de mensen’. In de wereld waar de nazi’s het voor het zeggen hebben, hield hij hen voor dat er ‘een wonder’ kon gebeuren, dat wat je zag, wat je kon tasten, enzovoort, niet alles was. Dat er ook een ‘andere kant’, een ‘werkelijke kant’ was.51)

Het viel hem op dat met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in september 1939 de Joodse, Bijbelse 58e eeuw begon.52) In die eeuw, waar we nu nog steeds in leven, zou een oude wereld ten onder gaan, maar er zou ook een nieuwe wereld worden geboren. Dankzij het woord, want dat was eeuwig. Daarin kon alles bewaard blijven.

Thorahrol met een zilveren “jad”, waarmee de tekst tijdens de lezing in de synagoge wordt aangewezen

Weinreb had in zijn jarenlange gevangenis alle tijd om dat woord, die Bijbel, te bestuderen. Hij liet oude Hebreeuwse boeken komen, de boeken van de Joodse Overlevering, de Joodse Bijbeluitleg, en viel van de ene verbazing in de andere.

Blij begon hij te schrijven. Zestien uur per dag las hij en schreef hij. In telegramstijl schreef hij alles op wat hij met behulp van die oude boeken in de Bijbel ontdekte. Schriften vol. 7838 kantjes notities. Notities waaruit in latere jaren zijn boeken en cursussen ontstonden.53)

Hij ging de hele Bijbel door. ‘Niet één deel van de bijbel bleef buiten beschouwing’, schrijft Weinreb, ‘Ik zocht juist de samenhangen’. ‘Met vreugde’ keek hij ‘bij elk woord naar binnen, om in elk woord het wonder te ervaren.. God in Zijn onmetelijke veelheid te herkennen’.54)

Zo beleefde ik,’ schrijft Weinreb ‘mijn gelukkigste tijd’. Een tijd waarin het woord ‘de nieuwe grondslag’ van zijn leven, zijn ‘hoofdzaak’, zijn ‘eeuwig leven’ werd.55)

Al het andere kwam’, schrijft Weinreb, ‘tot mijn verbazing, later ook tot ergernis van de mensen, op het tweede plan’.56)

De uiterlijke gebeurtenissen’, zijn proces bijvoorbeeld, vond hij ‘niet zo belangrijk’ meer.57) Hij zette niet meer alles op alles ‘om een eind te maken aan’ zijn ‘gevangenschap’.58)

En dertig jaar later had hij die houding nog steeds. Ook toen koos hij er niet voor om de rest van zijn leven te vergallen met de bestrijding van het RIOD-rapport.

3.6. De mens Weinreb

Weinreb ontdekte in de gevangenis niet alleen het woord, de Bijbel, maar met dat woord, met die Bijbel ook “zichzelf”. Dan heb ik het over iets dat wij vroeger onze “ziel” noemden.

Volgens de Zohar59) hebben wij mensen een driedelige ziel. Deze delen zijn:

  1. De nèfèsj.
  2. De roeàch.
  3. De nəsjamah.

De nèfèsj is het deel van de ziel dat nauw verbonden is met ons lichaam. Het is dat wat wij ons gevoel en ons verstand noemen.

De nəsjamah is het tegenovergestelde van de nèfèsj. Het is de “goddelijke ziel”, het deel van de ziel dat God weerspiegelt.

En de roeàch is de verbinding tussen die beiden.

Als ik het over “mijzelf” heb, bedoel ik normaal gesproken mijn nèfèsj. Ik denk dan van mezelf ‘wat anderen’ van mij ‘zeggen’ of, als ik daar moeite mee heb, ‘wat anderen’ van mij ‘zouden kunnen zeggen’.

Maar dat ikzélf zeg dat ik ‘die-en-die’ ben, komt zelden voor. Op zo’n moment is mijn ‘stille, eeuwige kant’ aan het woord, een kant ‘die het een zorg zal zijn’ wat ‘anderen’ van mij ‘zeggen’, wat ‘de maatschappij’ van mij ‘vindt’ of van mij ‘verwacht’.

Die kant blijft verborgen voor mij. Het is de kant in mij die God weerspiegelt. Het is mijn nəsjamah.60)

In de gevangenis ontdekt Weinreb zijn nəsjamah. Die nəsjamah is iets dat ‘boven tijd en ruimte staat’.61) Iets dat ‘boven alles gaat’, dat ‘alles in zich verenigt, alles, uit alle tijden’. Het is ‘God’ Die ‘via het woord’ ‘in mij woont’.62)

Voor die nəsjamah zijn praatjes van mensen niet belangrijk. En menselijke autoriteiten ook niet. Dat is slechts het uiterlijke.

Als ik mezelf veracht, zie ik alleen die ‘buitenkant als boodschap’, zegt Weinreb. Daarmee verloochen ik echter ‘het innerlijke’.63) Dat innerlijke is het eeuwige. En dat heeft met het woord te maken. ‘Vandaar’, zegt Weinreb, komt ‘alles wat ik hier nodig heb’.64)

Door dat woord en die nəsjamah kon Weinreb al die praatjesmakers en autoriteiten laten kletsen.

In mij zelf ben ik een koning’, zegt hij in het interview met Ischa Meijer, ‘Maar iedereen zou dat van zich zelf moeten vinden; iedereen zou de kwaliteiten moeten hebben van iemand die samen met God is’.65)

Om mij op mijn koningschap te wijzen, heeft Weinreb al die boeken geschreven en cursussen gehouden.

Als ik alleen maar denk te zijn wat anderen van mij denken of zouden kunnen denken, snap ik daar niets van. Dan vind ik Weinreb, net als Grüter, iemand met grootheidswaanzin.

In datzelfde interview lijkt Weinreb er nog een schepje bovenop te doen:

Ik ben nog steeds een fantast’, zegt hij, ‘Ik verkocht, verkoop leugens om te helpen. Ik verkondig u het eeuwige leven, zeg ik bij voorbeeld. Nou, daar weet ik niks van. Maar toch heb ik het over dat eeuwige leven, overal in Europa, tot in het Vaticaan toe. Wetenschappelijk bezien: onzin. Maar voor mij is het de waarheid’.66)

‘Nu zegt hij het zelf!’ zegt mijn nèfèsj Grüter na, ‘Hij is een fantast! Hij brengt een leugenboodschap!’

Maar mijn ‘stille, eeuwige kant’ denkt er anders over.

4. Verwante documenten

1)
De laatste jaren van zijn leven woonde Weinreb in de Zwitserse stad Zürich. Ook daar schreef hij boeken en gaf hij cursussen, maar nu in het Duits. De stichting die zijn Duitstalige werken uitgeeft heet Friedrich Weinreb Stiftung.
3) , 46)
Zie Meijer, Ischa, (1984), F. Weinreb. Een eenmanszaak.
4)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 98.
6)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 112.
7)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 114.
8)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p.114.
10)
Marres, René (2005), Frederick Weinreb. Verzetsman en groot schrijver, p. 136.
11)
Idem, p. 66, 68, 74, 78, 118, 120.
12)
Idem, p. 22, 77, 80.
13)
Idem, p. 99, 121, 122.
14)
Idem, p. 108.
15)
Idem, p. 107, 119, 141, 142.
16)
Idem, p. 134.
17)
Idem, p. 122.
18)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 111.
19)
Marres, René (2005), Frederick Weinreb. Verzetsman en groot schrijver, p. 85, 153.
20)
Idem, p. 54, 84.
21)
Idem, p. 58.
22)
Idem, p. 47, 56.
23)
Idem, p. 84.
24)
Idem, p. 149, 150.
25)
Laenen, J.H. (2003), Frederik Weinreb en de Joodse mystiek, p. 54-66, 184-186.
26)
Marres, René (2005), Frederick Weinreb. Verzetsman en groot schrijver, p. 125.
27)
Idem, p. 52.
28)
Idem, p. 45.
29)
Idem, p. 126.
30)
Idem, p. 127.
31)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 46, 47.
32)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 52.
33)
Marres, René (2005), Frederick Weinreb. Verzetsman en groot schrijver, p. 29-31.
34)
Marres, René (2005), Frederick Weinreb. Verzetsman en groot schrijver, p. 90.
36)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 107.
37)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 135.
38)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 157, 158.
39)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 136.
40)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 144.
41)
Idem, p. 163.
42)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 167.
43)
Gojiem is het Hebreeuwse woord voor niet-joden.
44) , 45)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 155.
47) , 56)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 50.
48)
Idem, p. 174.
49)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 175.
51)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 176, 177.
52)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 176.
53)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 51.
54)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 188, 189.
55)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 187.
57)
Idem, p. 51.
58)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 190.
59)
De Zohar is het belangrijkste boek van de Kabbala, de joodse mystiek.
60)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 172, 173.
61)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 172.
62)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 173.
63)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 124.
64)
Weinreb, F. (1989), De gevangenis. Herinneringen 1945-1948, p. 191, 192.
65) , 66)
Zie Meijer, Ischa, (1884), F. Weinreb. Een eenmanszaak.