• Exporteer naar PDF

Het boek Exodus

1. Waar het boek over gaat

1.1. Een vervolg

Het tweede boek van de Thorah kennen wij als Exodus.

Dat boek begint met het voegwoordje “en”. Exodus is namelijk geen op zichzelf staand boek, maar het vervolg van Genesis, het eerste boek van de Thorah.

Het voegwoordje “en” is de vertaling van de Hebreeuwse lettergreep . bestaat maar uit één letter, namelijk de waw. Het beeld van de waw is de haak. Een haak is iets wat twee delen aan elkaar verbindt.1) In dit geval zijn dat de boeken Genesis en Exodus.

Beide boeken gaan over het volk Israël. In Genesis wordt verteld over de voorouders van dat volk en in Exodus wordt verteld over het volk zelf en wat het meemaakt in zijn prille bestaan.

Maar wat kunnen wij zelf met deze oude verhalen over het ontstaan van het Joodse volk?

In de inleiding van het boek Genesis schreef ik dat dat Joodse volk ook iets in onszélf is, dat het een “plek” is die diep in ons verscholen is. De joden noemen dat de nəsjamah, het deel van onze ziel waar wij God weerspiegelen.

Genesis en Exodus zijn geen boeken over vreemde mensen die eeuwen geleden allerlei vreemde dingen meemaakten. Het zijn boeken over onze nəsjamah en wat die in onszelf meemaakt.

In dit document wil ik wat meer vertellen over het boek Exodus. Daarvoor maak ik gebruik van:

1.2. Sjəmoth

De Hebreeuwse naam van het boek Exodus is Sjəmoth.

Sjəmoth is het tweede woord van dat boek.

Sjəmoth is afgeleid van sjem, wat ‘naam’ of ‘teken’ betekent. De uitgang oth geeft aan dat het woord vrouwelijk is en in het meervoud staat. Sjəmoth betekent dus ‘namen’ of ‘tekens’.

In het Hebreeuws is het meervoud echter ook iets wat het enkelvoud overstijgt, iets dat groter is dan het enkelvoud. Sjəmoth kun je dus evengoed vertalen als ‘dé naam’, ‘hét teken’.2)

Sjem is niet alleen de tweeletterige stam van sjəmoth, maar ook van de nəsjamah, waar ik het in de vorige paragraaf over had. Die nəsjamah is onze Goddelijke ziel, het stukje van onze ziel dat van God afkomstig is. Het is dat wat wij eigenlijk zijn, onze naam, ons wezen.

Ook is het een teken. Een teken dat verwijst naar degene die zich erin weerspiegelt, namelijk God.

Het boek Exodus, het boek Sjəmoth, gaat dus over wie wij eigenlijk zijn en over wie Degene is die in dat diepste zelf weerspiegelt wordt.

1.3. De zonen van Israël

Het boek Exodus, het boek Sjəmoth gaat over namen. In de eerste plaats over de namen van de zonen van Israël.

Dat blijkt al uit het begin van het boek. In het Hebreeuws staat daar Wə-elèh sjəmoth bənei jisrael, wat je kunt vertalen als ‘en dit (zijn) de namen (van de) zonen (van) Israël’. Het gaat om de twaalf stamvaders van het volk Israël. In de tekst worden ze allemaal genoemd.

Volgens Exodus 28 draagt Aäron, de Grote Priester,3) deze namen op zijn schouders en op zijn borst 4) als hij in het heiligdom bij God is. Op zijn kleding zijn daar namelijk stenen bevestigd, stenen waarin de namen van de zonen van Israël zijn gegraveerd.5)

Het Hebreeuwse woord voor steen is èvèn. Èvèn is de combinatie van av en ben. Av betekent ‘vader’ en ben betekent ‘zoon’. Èvèn is dus de verbinding van de vader en de zoon.

Als Aäron het heiligdom binnengaat, brengt hij de zonen van Israël naar hun vader. Niet hun aardse vader, maar hun hemelse vader. Die hemelse vader is God. God is namelijk de Ene waar alles wat er is uit voortkomt.

De zonen van Israël staan voor onze nəsjamah. Als Aäron het heiligdom binnenkomt, brengt hij die nəsjamah weer terug naar zijn oorsprong, naar Degene waarin ze weerspiegelt wordt. Over die terugkeer gaat het boek Exodus.

1.4. Mozes en Aäron

In Exodus gaat het ook om twee andere namen. Eén van hen is Aäron, waar ik al over geschreven heb, en de ander is zijn broer Mozes. Mozes en Aäron zijn nakomelingen van Levi, de derde zoon van Israël. In Exodus 6:16-26 vind je het geslachtsregister van Levi.

Levi betekent ‘begeleiden’. De Levieten begeleiden de zonen van Israël op hun weg naar God. Mozes en Aäron doen dat op een bijzondere manier.

Mozes is degene die het volk Israël uit haar hachelijke situatie bevrijd en haar naar de plaats brengt waar God tot hen de Tien woorden spreekt.

Volgens de Joodse Overlevering is Mozes de schrijver van de Thorah.6)

De Thorah is iets dat de tijd te boven gaat. Mozes kon die Thorah schrijven omdat hijzelf in de wereld leeft die de tijd te boven gaat. Dat blijkt al uit zijn naam. In het Hebreeuws heet Mozes Mosjèh, wat ‘uit (het water) getrokken’ betekent. Omdat water in de Bijbel een beeld is van de tijd kun je Mosjèh ook vertalen als ‘uit (de tijd) gehaald’.

In de Bijbel is Mozes de mens die het dichtst bij God komt. Mozes spreekt met God ‘van mond tot mond’.7)

Aäron is Mozes’ broer. Aäron is de “lichamelijke” kant van Mozes.8) Hij is de “grote priester” die met zijn werk in het heiligdom de woorden uitbeeldt die God tegen Mozes zegt. Eén keer per jaar gaat Aäron naar de heiligste plek van dat heiligdom. Het is de plek waar de àrōn staat. Deze àrōn is een voorwerp van hout en goud waarin de Tien Woorden van God liggen.9)

In het Hebreeuws spreek je Aäron uit als Àhàron. Àhàron heeft dezelfde stam als àrōn. Net als de àrōn is Aäron namelijk een belichaming van de woorden van God.

1.5. God

Tenslotte gaat het in Exodus over de Naam van God Zelf. De Naam van God is JHWH. JHWH betekent ‘Hij was, Hij is en Hij zal er zijn’. In Zijn Naam drukt God uit dat Hij de hele tijd bij ons zal zijn, dat Hij met ons meegaat ons leven door.10)

Wanneer Mozes met de schapen en geiten van zijn schoonvader door de woestijn trekt, komt hij op de plek waar God aanwezig is. Die plek wordt ‘de berg van God’ genoemd. Het gaat om de Horeb.

In het Hebreeuws staat er Chorev. Chorev is verwant met charev. Charev betekent ‘(ver)droog(d), vernietigd, vereenzaamd zijn’. Chorev is dus een toestand waarin je leven dor en doods is, waar niemand zich om je bekommert.

Chorev is ook verwant met chèrèv. Chèrèv betekent ‘zwaard’. Een zwaard hakt iets dat één is in tweeën. In onze wereld is alles twee. Ik ben ik en jij bent jij. En omdat dat zo is, kunnen wij nooit bij elkaar komen.

Chorev is dus niet bepaald een plek waar je God verwacht. God is namelijk de Ene, de éénheid. Toch verschijnt God juist daar aan Mozes.11)

Op die plek staat een doornstruik in vuur en vlam zonder dat hij verbrand. Het Hebreeuwse woord voor doornstruik is snèh. Snèh heeft dezelfde stamletters als sīnàj, ‘Sinaï’, zoals de berg van God ook wel genoemd wordt. Het gaat om de letters samèch en noen.

Het beeld van de eerste letter, de samèch, is de slang. De slang staat voor het sluitende, het kloppende. De getalswaarde van de noen, is 50. “50” is het getal van de wereld van God. In die wereld klopt er niets meer van onze berekeningen. De stam samèch-noen drukt onze gang naar de wereld van God uit. Een gang waarin “de slang” het loodje moet leggen.

Op die plek roept God zijn Naam uit. Hij zegt daar èhjèh asjèr èhjèh. Dat betekent ‘ik ben (er) als degene die (er) is’. God blijft zichzelf dus trouw. Hij is niet de ene keer dit en de andere keer dat.

Èhjèh is een variant van JHWH. Èhjèh betekent ‘ik ben (er)’ en JHWH betekent ‘hij is (er)’.

Dit schilderij heet “Mozes en het brandende struik” en is in 1966 geschilderd door Marc Chagall. Boven de struik zie je een witte cirkel met Hebreeuwse letters. Daar staat “JHWH”.

Zowel in Èhjèh als in JHWH vind je twee hē’s. Het beeld van de is het venster. Door een venster kijk je uit naar dat wat buiten is. De heeft dus te maken met verlangen. Zowel in Èhjèh als in JHWH zijn er dus twee delen, twee hē’s die naar elkaar verlangen, één willen worden.12)

Omdat God dit verlangen naar éénwording kent, kan Hij met Zijn zonen, met de zonen van Israël, meevoelen.

In het begin van het boek Exodus bevinden die zonen zich op een plek waar het onmogelijk is om één te worden, waar alles twee is en blijft. Zij lijden daaronder en God lijdt met hen mee. Hij wil hen daar weghalen. Hij wil hen naar de “berg van God” brengen, de plek waar Hijzelf is. Hij wil dat niet alleen, maar Hij doet het ook. Daarom zendt Hij Mozes en Aäron naar hen toe.

2. Mitsràjim

2.1. Sloven

Mozes en Aäron gaan naar de plek waar de zonen van Israël in de problemen zijn gekomen. Die plek heet Mitsràjim.13)

Mitsràjim komt van tsor wat ‘angst, benauwdheid, druk’ betekent. De uitgang àjim geeft aan dat hier sprake is van een tweevoud, een tweeheid. Mitsràjim is de plek waar de zonen van Israël aan de tweeheid lijden.

In Genesis, het vorige boek van de Thorah, had één van die zonen daar nog de éénheid gebracht. Jozef heette hij en hij had zijn hele familie naar die plek gehaald.14)

Jozef is echter gestorven en de Farao die nu over Mitsràjim de baas was, heeft nooit iets met hem gehad. Ook de éénheid die Jozef in zijn land had gebracht, betekent niets voor hem. Voor hem is alles twee en blijft alles twee.

Jozefs volk, het volk Israël, leeft echter nog steeds in zijn land en dat wordt steeds talrijker. Zo talrijk dat Farao verwacht dat ze hem en zijn volk spoedig zullen overrulen.15)

Het Hebreeuwse woord voor Farao is pàr’oh. Pàr’oh is verwant met parah wat ‘vruchtbaar’ betekent. In Mitsràjim mag alleen Farao vruchtbaar zijn. Het volk Israël moet aan banden gelegd worden. Dat volk is er slechts om hem te helpen zijn doelen te verwezenlijken.

Farao laat hen steden bouwen. Steden waarin hij voorraden aan kan leggen.16) In de toekomst kan het namelijk altijd mis gaan. Als dat gebeurt, heeft Farao altijd nog die voorraden. In Mitsràjim regeert de tsor, de ‘angst’.

Farao laat de zonen van Israël werken met zijn eigen materiaal: leem en tichelstenen.17)

Het Hebreeuwse woord voor tichelsteen is ləbenah. Net als in èbèn, het gewone woord voor steen, zit hier het woordje ben, ‘zoon’ in. Bij ləbenah ontbreekt echter de alèf. Daarom zit het woordje av, ‘vader’ niet in ləbenah. In èbèn zit dat woordje wel. Daar staat zij voor de verbinding tussen vader en zoon, tussen God en wat wij mensen eigenlijk zijn.18)

In een land waar de tweeheid heerst, kan die verbinding echter niet tot stand komen. Daar moet je je behelpen met de ləbenah, de tichelsteen. De eerste lettergreep van ləbenah is . betekent ‘tot, in de richting van’. Ləbenah zou je kunnen vertalen als ‘in de richting van (de) zoon’.

Tichelstenen bakken is er naar streven een “zoon” te zijn, zonder die zoon ooit te kunnen worden. Er is namelijk geen vader.

De grondstof voor deze tichelstenen is stro. Het Hebreeuwse woord voor stro is thèbèn. Ook hier zit het woordje ben, ‘zoon’, in. De eerste letter van het woord thèbèn is echter een thaw. Het beeld van de thaw is het kruis. Dit kruis staat voor Godsverlating. Het gaat hier dus om een mens zonder God, een zoon zonder vader.

Met dit bouwmateriaal zul je de éénheid nooit bereiken. Niet voor niets werd ook de “toren van Babel” met leem en tichelstenen gebouwd. Met die toren wilden de mensen de eenheid bereiken, maar met zulk materiaal moest dat wel mislukken.19) Met datzelfde materiaal laat Farao nu het volk Israël, het volk van de Ene God werken om zijn eigen angst te bezweren.

Eerder schreef ik dat het volk Israël voor onze nəsjamah staat, het gedeelte van de ziel dat van God komt, dat afgestemd is op Gods wereld.

Onze ziel heeft echter ook een gedeelte dat afgestemd is op onze eigen wereld. Dat gedeelte heet nèfèsj. De nèfèsj is onze psyche, dat wat wij gewoonlijk ons ik noemen. Die nèfèsj wil de nəsjamah voor zichzelf gebruiken

In het boek Exodus is die nèfèsj het land Mitsràjim. In dat land krijgt dat Israël, die nəsjamah, de kans niet om tot haar eigen doel te komen. Farao, de leider van dat land, zet Israëls mankracht in om zijn eigen doel te bereiken, om zijn eigen problemen op te lossen.

Toch krijgt Farao het volk Israël er niet onder. Dat blijft maar groeien. Ten einde raad geeft Farao daarom het bevel om alle zoontjes die vanaf nu bij dat volk geboren worden meteen in de rivier te werpen.20)

In het Hebreeuws staat het water voor de tijd. Farao wil de zonen van Israël dus “verdrinken in de tijd”. Hij wil hen zoveel te doen geven dat ze aan God en zijn wereld niet meer toekomen.

Met één van deze zonen mislukt Farao’s plan. Dat is Mozes. De ouders van Mozes laten hem niet verdrinken, maar leggen hem in een bootje, een thevah.21) Thevah betekent ‘woord’. Mozes is dus veilig in het woord van God.22)

2.2. Tien slagen

Tachtig jaar later roept God deze Mozes om Zijn volk Israël uit Mitsràjim, uit de wereld van de tweeheid te halen en naar Zijn berg te brengen. Daar zullen ze dan offers voor Hem brengen. Het Hebreeuwse woord voor offer is qorban. Qorban komt van qaràb wat ‘naderen’ betekent.

Naderen is tot God naderen. Bij de berg zullen de Israëlieten bij de éne God komen en zo de éénheid bereiken waar ze naar verlangen.

Samen met zijn broer Aäron gaat Mozes naar Farao om hem op de hoogte te brengen van Gods plan. Als koning van de wereld van de tweeheid wil Farao Israël echter onder geen beding laten gaan.

God beschouwt echter Israël als zijn “eerstgeboren zoon”.23) God wil die zoon uit de greep van Farao bevrijden. Daarom dient hij Farao en zijn land “tien slagen” toe. In vertalingen spreekt men meestal over “tien plagen”, maar het Hebreeuwse woord nègà’ betekent ‘slag’.

De eerste slag treft de rivier, die voor Mitsràjim de bron van vruchtbaarheid betekent, en de daarop volgende slagen treffen het land en wat daarop leeft.

Volgens het boek Genesis schiep God de tweeheid door tien scheppingswoorden uit te spreken. Nu maakt Hij die schepping weer met evenveel slagen ongedaan.

Bij de negende slag wordt het donker in Mitsràjim. We zijn dan terug in de tijd vóórdat het eerste scheppingswoord klonk, de tijd vóórdat God het licht schiep. In die tijd was alles nog één warboel.24)

Toch is hier meer aan de hand dan het teniet doen van de schepping. Er is namelijk ook een geboorte aan de gang. De geboorte van het volk Israël. Die geboorte is de geboorte van de nəsjamah, van dat in ons dat Gods éénheid weerspiegelt.

Farao en zijn volk ervaren deze geboorte als een ondergang. Voor hen bestaat slechts de wereld van de tweeheid.25) In zijn boek “de Bijbel als Schepping” vergelijkt Friedrich Weinreb Farao en zijn volk met een moeder die zich vergeefs verzet tegen de geboorte van haar kind:

Het lichaam van de moeder.. kan niet anders dan het willen vasthouden.. De weeën dwingen het meer en meer de strijd op te geven. Totdat tenslotte de moeder het wel moet uitstoten, wil zij zelf niet vergaan’.26)

3. Uittocht

3.1. Bəchor en resjīth

Mitsràjim moet haar kind, het volk Israël, uiteindelijk dus laten gaan. Dat gebeurt na de tiende slag, de dood van de eerstgeboren zonen in Mitsràjim.

Het Hebreeuwse woord voor eerstgeborene is bəchor. Bəchor bestaat uit een bēth], een kàf en een rēsj. De getalswaarden voor deze letter is respectievelijk 2, 20 en 200. Bəchor is dus de tweeheid op alle niveaus.

Volgens Weinreb is bəchor hetzelfde als resjīth.27)

Hier komt het eerste woord van het scheppingsverhaal uit Genesis in beeld. Dat woord is bəresjīth, ‘in resjīth’. Resjīth is afgeleid van rosj, wat ‘begin’ betekent. Een begin waar de hele schepping al in zit. Een begin waaruit God in de rest van het verhaal de hele schepping te voorschijn laat komen.28)

Resjīth is dus de schepping in een notendop. Deze schepping wil God nu terughalen. God is de éénheid waaruit alles wat twee is, is voortgekomen. Die tweeheid is dus van Hem.

In het midden van de nacht trekt God door Mitsràjim, het rijk van de tweeheid om elke bəchor, elke eerstgeborene in het land, weer bij zich te halen.

Alles wat tot elke prijs “twee” wil blijven, alles wat niet met de “één” verbonden wil worden, heeft dan een probleem, kan dan niet overleven.29)

3.2. Het lam

Wanneer God door Mitsràjim trekt, zit iedereen in zijn eigen huis. Ook de Israëlieten.

Het huis is het beeld van de bēth, de tweede letter van het Hebreeuwse alfabet.

Die bēth is ook de eerste letter van het scheppingsverhaal uit Genesis. De schepping kun je zien als één groot huis, een huis dat bepaald wordt door de tweeheid, de “twee”. Een huis bevat namelijk nooit alles. Ook buiten de schepping is wat. Buiten de schepping is God.

Alle huizen, alles wat God geschapen heeft, gaat Hij af, op zoek naar eerstgeborenen. Hij, de Ene, wil alles wat “twee” is, alles wat van Hem afgesplitst is, weer bij zich halen.

Ook de Israëlieten hebben nu dus een probleem. Daarom slachten zij in elk huis een lam.

Een lam is iets wat zich niet hoeft te handhaven. Het is een “niets, een “nul”. Een lam is dat wat niet alleen aan de bēth, de 2 voorafgaat, maar zelfs aan de alèf, de 1. Een lam is iets wat de “twee” met de “één” verzoenen kan, wat God en Zijn schepping bij elkaar kan brengen.30)

De Israëlieten bestrijken de posten van de deuren van hun huizen met het bloed van het lam.

De deur is het beeld van de dalèth, de vierde letter van het Hebreeuwse alfabet. Het getal dat bij deze letter hoort is 4. 4 is 2-in-het-kwadraat, de “tweeheid” die met zichzelf geconfronteerd is, die zich van zichzelf bewust is.

Het Hebreeuwse woord voor bloed is dam. Dat woord bestaat uit de letters dalèth en mēm. De getalswaarden van deze letters zijn respectievelijk 4 en 40. De vierheid op twee verschillende vlakken dus.

Volgens Genesis 9:4 is dat bloed de nèfèsj, de psyche. In dit geval de psyche van het lam. Een psyche die zich niet meer hoeft te handhaven.

Omdat het lam verzoening brengt, brengt ook zijn bloed verzoening. Als God het bloed aan de deurposten ziet, gaat Hij het huis niet binnen om de eerstgeborene te doden.31)

Dit gebeuren wordt pèsàch genoemd.32) Pèsàch is verwant met pasàch, wat ‘overslaan’ betekent. Huizen die getekend zijn met het bloed van het lam gaat God voorbij, die ‘slaat’ Hij ‘over’.

3.3. Een klein verschil

De Israëlieten zitten in hun huizen en eten het vlees van het lam.

Het Hebreeuwse woord voor eten is achàl. Achàl is verwant met kol, wat ‘alles’ betekent. Achàl zou je kunnen vertalen als ‘ik (neem) alles (in mij op)’.

Wanneer we iets ergs meemaken, kunnen we onze eetlust verliezen. We zeggen dan dat we “al gegeten en gedronken hebben”. Eten gaat dus veel verder dan calorieën tot je nemen. Eten is ook dingen verwerken die je meemaakt.

We kunnen ook iets goeds meemaken. Het allerbeste is het lam. Het lam is dat wat zich niet meer hoeft te handhaven.

Voor ons is dat ondenkbaar. We moeten ons altijd handhaven. Toch snakken wij er diep van binnen naar om net als het lam de wapens te laten zakken, de strijd om het bestaan op te geven.

Als we het vlees van het lam eten, nemen we zijn vredelievendheid in ons op en voelen we ons met hem in het paradijs.

Behalve het lam eten de Israëlieten ook brood. Het Hebreeuwse woord voor brood is lèchèm. Lèchèm is verwant aan lachem, wat ‘strijd’ betekent.

Terug naar ons leven hier dus. Dat leven hier blijft een strijd. Een strijd die wij normaalgesproken niet durven te staken uit angst ten onder te gaan.

Hier gaat het echter om een speciaal soort brood, namelijk màtsah. Màtsah is ongezuurd brood, brood dat nog niet gerezen is, waar de gist haar werk nog niet heeft gedaan. Màtsah is het tegengestelde van chamàts, het ‘gezuurde’.

Màtsah wordt wel “brood van de armoede” genoemd. Het Hebreeuwse woord voor armoede is ‘ani. Een arme weet dat hij zelf niets heeft, dat alles van de ander moet komen. Een arme kijkt uit naar zijn verlosser.

Chamàts is juist het brood van de opgeblazene, van degene die zich breed en groot maakt, van degene die denkt dat hij goed in staat is om voor zichzelf te zorgen en geen verlosser nodig heeft.

Nu God zelf buiten rondwaart om Zijn eerstgeborenen terug te halen, zou zo’n houding funest zijn. Al het chamàts, al het gezuurde moet hij wegdoen uit zijn huis.33)

Màtsah is dus heel iets anders dan chamàts.34)

Als je naar de Hebreeuwse letters kijkt, lijken die woorden echter sterk op elkaar. Beiden woorden bestaan uit een mēm en een tsadē. Màtsah eindigt met een en chamàts begint met een chēth. Qua vorm zijn de en de chēth echter bijna hetzelfde. Het enige verschil is een doorgetrokken lijntje bij de chēth.

Het beeld van de is het venster en het beeld van de chēth is de omheining. Een venster is iets om door naar buiten te kijken en een omheining is dat wat je belemmert naar buiten te kijken. Màtsah heeft de omdat je daar contact hebt met wat buiten je huis, buiten je wereld is en chamàts heeft een chēth omdat het contact daar ontbreekt.

Als je màtsah eet, heb je contact met het andere, met God en als je chamàts eet, blijf je in je eigen wereldje zitten.

3.4. De sedermaaltijd

Tot op de huidige dag wordt dit gebeuren elk jaar op Pèsàch door de Joden herdacht. Op de eerste avond van dat feest wordt de sedermaaltijd genuttigd.

Ieder krijgt dan drie ongezuurde broden die op een stapel liggen. De onderste heet “Israël”, de middelste heet “Levi” en de bovenste heet “Kohen”.

“Israël” staat voor de nəsjamah, de ziel die van God komt. “Levi” staat voor de Leviet, die de nəsjamah naar de priester leidt. En “Kohen” staat voor deze priester zelf, die de nəsjamah terugbrengt naar God.35)

Het brood van de sedermaaltijd heeft dus te maken met de weg naar God.

Van het brood dat Levi heet, ligt maar een klein deel op tafel. Het grootste deel is verstopt. Dat betekent dat de weg naar God geen duidelijk uitgestippelde route is. Onderweg zijn er veel dingen die je niet begrijpt. Maar juist daardoor kun je de weg uit liefde gaan. Pas aan het einde van de maaltijd wordt de rest van het brood teruggevonden.36)

Een ander onderdeel van de sedermaaltijd is maror, het bittere kruid. Dit staat voor het moeilijke leven dat de Israëlieten in Mitsràjim moesten leiden. Maror wordt gedoopt in leemkleurige saus dat wijst op de tichelstenen die ze in Mitsràjim moesten bakken.37)

De Israëlieten zijn niet alleen verdrietig om wat ze in Mitsràjim meegemaakt hebben, ze zijn ook blij dat ze Mitsràjim zullen verlaten. Daarom drinken ze vier bekers wijn.

Elk van deze bekers staat voor iets wat God voor hen zal doen. Hij zal hen “uitleiden”, “redden”, “verlossen” en “tot Zich nemen”.

De Israëlieten uiten hun vreugde ook door het Hallel te zingen. Het Hallel bestaat uit Psalm 113, Psalm 114, Psalm 115, Psalm 116, Psalm 117 en Psalm 118. Vroeger zongen de Levieten deze psalmen als het lam geslacht werd.

3.5. De vijfde beker

Ook Jezus heeft met zijn leerlingen de sedermaaltijd genuttigd. Volgens de christenen is Jezus degene naar wie alle lijnen van de Hebreeuwse Bijbel lopen.

Jezus betrok de maaltijd helemaal op zichzelf. Het ongezuurde brood noemde hij zijn lichaam en de wijn noemde hij zijn bloed.38) Daarna deelde hij het brood en de wijn met zijn leerlingen. Zo liet hij hen dus delen in zijn leven.

Johannes, één van de schrijvers van het Nieuwe Testament, het christelijke commentaar op de Hebreeuwse Bijbel, noemt Jezus het lam van God.39) Jezus is voor hem dus degene die voor ons het vertrek uit Mitsràjim, uit deze wereld, mogelijk maakt.

Na de maaltijd blijft Jezus niet in huis. Samen met zijn leerlingen gaat hij naar buiten. Op sederavond is dat echter gevaarlijk. Jezus is namelijk een eerstgeborene. Paulus noemt hem zelfs de eerstgeborene van alle schepsels, de resjīth van het boek Genesis zelf dus.40)

In de hof van Getsemané overvalt Jezus een verschrikkelijke angst.

Zoals ik al schreef is het Hebreeuwse woord voor angst tsor. Tsor heeft te maken met Mitsràjim, het rijk van de angst.

Jezus is bang voor een beker. God wil dat hij die beker leegdrinkt.41) Het gaat om de vijfde beker van de sedermaaltijd, de beker die normaal gesproken niet gedronken wordt.

Volgens Weinreb is dat de beker van de “eenheid”, van God en Zijn wereld. De andere vier bekers zijn de bekers van de “vierheid”, van onze wereld. Door de vijfde beker te drinken, verbindt Jezus beide werelden met elkaar.42)

Deze vijfde beker wordt ook wel de “beker van de toorn” genoemd. Het Hebreeuwse woord voor “toorn” is af, wat ‘zwaar ademen (van woede)’ betekent. God is woedend op de gojim, de ‘volkeren’, die Israël willen vernietigen. Israël staat voor ons verlangen naar “Gods wereld” en de gojim staat voor ons streven om dat verlangen onschadelijk te maken. De gojim in ons verlangen alleen maar naar “onze wereld”. Als verbinder tussen “onze wereld” en “Gods wereld” krijgt Jezus deze woede over zich heen.

Dit schilderij heet “Christus op de olijfberg”. Rembrandt van Rijn schilderde het rond 1655. Jezus bidt en wordt ondersteund door een engel. Er staat een beker bij hem. Dat is de vijfde beker. Rechts liggen Jezus’ leerlingen nietsvermoedend te slapen.

In de vorige paragraaf schreef ik dat de eerste vier bekers elk staan voor wat God voor de Israëlieten zal doen. God zal hen “uitleiden”, “redden”43), “verlossen”44) en “(tot Zich) nemen”. Elk van deze trefwoorden vind je in Exodus 6:6,7.

Het vers daarna is Exodus 6:8. In dat vers zegt God dat Hij hen ‘in het land doet komen’. Het land is het land Kanaän, het paradijs. Als ze daar zijn is het doel, de ontmoeting met God, bereikt.

De berg Sinaï is dus nog niet het eindstadium. Ook daar zullen ze God ontmoeten, maar dat moment gaat weer voorbij. De berg Sinaï ligt in de woestijn en die staat voor de tijd waarin wij mensen leven. Een leven dat pas wordt afgebroken als we voor de “Jordaan”, de “grensrivier” staan. Ik heb het dan over het moment van onze dood.

Aan de overkant van deze “grensrivier” ligt Kanaän. Volgens ons vers zal God de Israëlieten ‘in’ dat ‘land doen komen’.

Het Hebreeuwse woord voor ‘komen’ is bo. De eerste letter van bo is een bēth en de laatste letter een alèf. De getalswaarde van de bēth is 2 en de getalswaarde van de alèf is 1. Bo is dus het komen uit de tweeheid in de éénheid. In Kanaän zijn ze dus definitief bij God, bij de éénheid.

In Deuteronomium 31:7 zegt Mozes dat Jozua met de Israëlieten in Kanaän zal ‘komen’. Ook hier vind je weer het woordje bo, het komen uit de tweeheid in de éénheid.

De Hebreeuwse naam van Jozua is Jəhosjoe’à. Dezelfde naam heeft Jezus, de hoofdpersoon van het Nieuwe Testament. Volgens dat boek zal Jezus hetzelfde voor ons doen als Jozua. “Ons” zeg ik, want zoals ik eerder schreef is “Israël” iets dat in ons allemaal zit. Jezus zal ons dus naar het paradijs van God brengen.

Die tocht gaat door de dood heen. Al snel komen er namelijk mannen in de hof van Getsemané om Jezus te arresteren. Een etmaal later hangt hij levenloos aan het kruis.

In Lucas 9:30,31 wordt gesproken over Jezus’ “uittocht”. Het Griekse woord voor uittocht is exodos. Dat wat Jezus’ dood lijkt, is dus zijn exodus, zijn uittocht uit Mitsràjim en zijn komst in het land, het paradijs.

3.6. De zee van het einde

Terug naar Exodus. Daar zijn we nog in Mitsràjim. In dat land sterven alle eerstgeborenen die het bloed van het lam niet op hun deurposten hadden gesmeerd.

Ook de zoon van Farao sterft. Farao is daardoor zo verbijsterd dat hij de Israëlieten laat gaan.45)

Na middernacht vertrekken de Israëlieten.

De inwoners van Mitsràjim geven hen hun goud en hun zilver mee. Goud staat voor het licht en zilver om dat wat het licht weerkaatst. Goud is iets wat van God komt en zilver is iets wat dat weerspiegelt.

Ook geven ze hen hun kleding mee. Het Hebreeuwse woord voor kleding is simlah. Simlah is verwant met səmol, wat ‘linkerkant’, of de ‘kant van het noorden’ betekent. Het noorden staat voor de wereld die wij kunnen zien, horen, voelen en bedenken, onze eigen wereld.

De inwoners van Mitsràjim geven hen dus alles wat ze hebben.46) In de vertaling staat dat Israël Mitsràjim op die manier ‘plunderde’. In het Hebreeuws staat er natsàl. Volgens Weinreb betekent dit ‘leegmaken’. Israël haalde Mitsràjim hier dus leeg. Mitsràjim smeekte daar om. Ze wilden dat ze alles meenamen. Dan kon het samen met Israël verlost worden.

In vers 38 staat dat er ook een ’erèv ràv, ‘gemengde veelheid’, met hen meetrok. In vertalingen wordt daar van alles van gemaakt. Het dichtst bij de grondtekst komt ‘veel vermengd volk’ van de Statenvertaling.

Het gaat hier om inwoners van Mitsràjim die zich willen binden aan Israël.

Israël staat voor onze nəsjamah en Mitsràjim staat voor onze nèfèsj. Als onze nəsjamah verlost wordt, wil veel van onze nèfèsj meegaan om ook met haar verlost te worden. Dat betekenen deze verzen.47)

God Zelf gaat met de stoet mee. Zijn aanwezigheid gaat gepaard met een tegenstrijdig verschijnsel. Het gaat om iets dat zich soms laat zien als een wolk en soms als vuur. Hier is dus sprake van iets dat tegelijkertijd water en vuur is.48)

In de Bijbel staat water voor onze tijd en vuur voor Gods tijd. Onze tijd is de tijd die langzaam verder tikt en Gods tijd het ogenblik waarin alles samengebald wordt.

Die tijden kunnen alleen maar samengaan op de plek die de Bijbel “de hemel” noemt. Het Hebreeuwse woord voor hemel, sjamàjim kun je lezen als de combinatie van esj, ‘vuur’ en màjim, ‘water’. Het verschijnsel waarmee God met de stoet meetrekt is dus een hemels verschijnsel.

Laten we verder gaan met ons verhaal. Farao krijgt spijt van zijn beslissing en jaagt met zijn leger de Israëlieten achterna. Als de Israëlieten bij de rietzee terechtkomen, kunnen ze geen kant meer op.

Het Hebreeuwse woord voor “rietzee” is jam soef, wat ‘zee van het einde’ betekent. Alles lijkt afgelopen, maar dan gebeurt er iets onvoorstelbaars. De zee gaat open zodat de Israëlieten er dwars doorheen kunnen trekken.

Aan beide kanten bevindt zich een muur van water. Water is een beeld van de tijd, dus hier staat de tijd stil. De Israëlieten kunnen de tijd in haar geheel overzien. Alles trekt in een moment aan hen voorbij. Opeens snappen ze alles.49)

Het leger van Farao jaagt hen achterna, maar het komt niet ver. Het verschijnsel van de wolk en het vuur verward de soldaten.50)

Als mensen van de tweeheid kunnen ze zo’n tegenstrijdig verschijnsel niet begrijpen. Als de Israëlieten aan de overkant zijn, worden ze overvallen door het water en verdrinken ze.51)

In Exodus 14:5-30 wordt de tocht van de Israëlieten door het water gedetailleerd beschreven.

Volgens Weinreb vindt hier de geboorte van Israël plaats. Het water van de rietzee is het vruchtwater dat breekt. Het leger dat Israël achterna jaagt, is de nageboorte. Als de navelstreng wordt doorgesneden, is de geboorte van het jonge volk een feit.52)

4. Op weg naar de berg van God

De Israëlieten trekken nu naar de berg waar God hen zal ontmoeten. Deze berg ligt in de woestijn.

De woestijn is een ruimte waar je je niet kunt vestigen. Een ruimte waar je doorheen moet trekken. Die woestijn staat voor de tijd waarin wij mensen leven. De tijd die geen moment stil staat.

Die tijd begint als God klaar is met zijn schepping. De Bijbel noemt dat de zevende dag. Omdat er in de Bijbeltekst niet staat dat die dag afgesloten wordt, duurt hij nog altijd voort.53)

In het Hebreeuws heet die dag de sjàbbath. De Joden vieren hem als de laatste dag van de week en houden dan op met werken.54) Eigenlijk is het echter elke dag sjàbbath. Omdat God alles al heeft gedaan, valt er voor ons niets meer te doen en mogen we van de volkomenheid van Gods schepping genieten.

Onze nèfèsj klinkt dat echter absurd in de oren. Die denkt dat ze de teugels nooit kan laten vieren, dat ze nu al oplossingen moet bedenken voor wat haar zou kunnen overkomen. Onze nèfèsj is voortdurend bang om iets te kort te komen. Dan verlangt ze weer terug naar de “goede oude tijd” in Mitsràjim, toen ze alles nog had wat haar hartje begeerde.

Volgens de Joodse Overlevering is dan in ons de ’erèv ràv aan het woord, de ‘gemengde veelheid’ die samen met de Israëlieten uit Mitsràjim getrokken was.55)

In Exodus 16:3 klagen ze bij Mozes omdat er geen voedsel is. God zendt hen daarop “brood uit de hemel”. De Bijbel noemt dat manna. Manna komt van men, wat ‘(aan)deel’ betekent.

Ieder krijgt zijn deel. Dat deel gaat maar een dag mee. De volgende dag is er weer een nieuwe hoeveelheid. Niemand krijgt dus een voorraadje om op te teren. Voorraden zijn er alleen in Mitsràjim.56)

De ’erèv ràv zijn ook bang voor watergebrek. Water staat voor tijd, dus eigenlijk zijn zij bang dat het leven een keer voor hen op zal houden, dat ze dood zullen gaan.

Om het volk gerust te stellen, brengt God het naar een rots. Op die rots moet Mozes slaan. Als hij dat doet, komt er water uit en kan iedereen drinken.57)

Dat “slaan” op de rots herinnert aan de slagen die God Mitsràjim toebracht. Er wordt namelijk hetzelfde Hebreeuwse woord gebruikt. Ook het Hebreeuwse woord voor “rots” herinnert aan het angstrijk Mitsràjim. Dat is namelijk tsor, wat naast rots ‘angst’ betekent.

De Joodse Overlevering verbindt de rots met Mirjam, de zus van Mozes en Aäron.58)

Mirjam betekent ‘bitter water’ ofwel ‘bittere tijd’. Die bittere tijd is de moeilijke tijd die de Israëlieten in Mitsràjim meemaakten.59) Mirjam ervaart die tijd, neemt die tijd in zich op, maar gaat er niet aan onderdoor. Ze zorgt ervoor dat het goed komt, dat het water drinkbaar is, dat de tijd doorgaat.

Volgens de Bijbel waakt Mirjam bij het bootje waar Mozes werd gelegd. Ze zorgt er voor dat er niets met hem gebeurd, dat hij goed terecht komt.

Net als Mozes en de rest van het volk trekt Mirjam mee de woestijn in en zorgt daar voor voldoende water. Het gaat pas mis als zij sterft. Dan breekt er paniek uit onder het volk en wordt er weer geroepen om water.60)

Een derde probleem in de woestijn is Amalek.

In die woestijn is vertrouwen op God het allerbelangrijkste. Vertrouwen dat God voor Israël zal zorgen. Amalek is de kracht die dat vertrouwen bij hen wil ondermijnen. Amalek komt van ’amal wat ‘werken als een slaaf’ betekent. Volgens Amalek moet je het in je leven zelf zien te rooien.61) Manna en water uit een rots zijn sprookjes voor naïeve mensen. Als je brood en water wil, zul je daar zelf voor moeten zorgen.

Als Amalek Israël aanvalt, komt Jozua, de naamgenoot van Jezus, met zijn leger aanzetten. Terwijl Mozes bidt, hakken zij Amalek in de pan.62) Zo wordt de wanhoop verdreven.

5. Tien woorden

5.1. De plek van de éénheid

Na een aantal dagen bereiken de Israëlieten de berg Sinaï, de plek waar God hen zal ontmoeten.

De getalswaarde van de Hebreeuwse letters die samen het woord “Sinaï” vormen, is 130. Het woord Sinaï bestaat namelijk uit een samèch, een jōd, een noen en nog een jōd. De getalswaarde van deze letters is respectievelijk 60+10+50+10 = 130.

130 is 10 x 13. Het getal 10 staat voor alles wat er is en het getal 13 staat voor de éénheid.63) Sinaï is dus de plek waar alles één is.

Mozes beklimt de Sinaï en God zegt tegen hem dat Hij op die plek zal neerdalen en tot de Israëlieten zal spreken.

Het volk verzamelt zich rond de berg, die bedekt wordt door een wolk en waar de donder klinkt en de bliksem flitst. Net als bij de doortocht door de rietzee is hier weer sprake van een tegenstrijdig verschijnsel, een verschijnsel waarin er zowel water als vuur is.

5.2. De sjofar

Dan klinkt de ramshoorn.64) Het Hebreeuwse woord voor ramshoorn is sjofar.

De Joden blazen op de sjofar op Rosj hà-sjanah, Nieuwjaarsdag. Nieuwjaarsdag is de verjaardag van de schepping van de mens.

Volgens de Joodse Overlevering heeft God de mens geschapen door op de sjofar te blazen. Zo ontstond ‘de mens in zijn hoogste hoedanigheid’, de mens die zich niet hoeft te handhaven.65)

Die mens, zegt Weinreb, is “het lam”. Het lam dat ook een centrale rol speelt bij Pèsàch.66)

Hier, vanaf de Sinaï, blaast God opnieuw op de sjofar. Zo komen de Tien Woorden tot stand.

Weinreb vergelijkt Gods blazen op de sjofar met kussen. Tijdens het kussen kun je niet spreken. Hoe kan God dan zo de Tien Woorden uitspreken?

In de regel die de Tien Woorden inluidt, staat dat God hier ‘al’ de ‘woorden’ uitspreekt.67) Het Hebreeuws staat er kol hà-dəvarīm. Kol hà-dəvarīm betekent eigenlijk ‘al de woorden (als een) geheel’ of ‘(het) geheel van de woorden’.

God spreekt hier dus alle woorden als een eenheid uit. Dat, zegt Weinreb, gebeurt er als God zwijgt. Dan zegt Hij alles, dan zegt Hij de ‘samenvatting van alle woorden’.68)

Vanaf de Sinaï klinkt de sjofar in een lang aangehouden toon. Deze toon wordt de thəqīa’ genoemd, de toon die klinkt als het volk zich moet verzamelen. De thəqīa’ is de toon die alles één maakt.69)

De eerste letter van de Tien Woorden is dan ook een alèf. De getalswaarde van de alèf is namelijk 1.

Het scheppingsverhaal begint met een bēth. De getalswaarde van de bēth is 2. Met de schepping begint namelijk de tweeheid. Nu, bij de Tien Woorden, keert deze tweeheid weer terug in God, haar oorspronkelijke éénheid.

Volgens Weinreb zegt God in de Tien Woorden wie de mens eigenlijk is, wat zijn eigenlijke structuur is.70). De mens zoals hij eigenlijk is, is de mens die God weerspiegelt. God schept die mens door de Tien Woorden uit te spreken.

De Zohar, het belangrijkste boek van de Kabbala, noemt deze Tien Woorden dan ook de essentie van de Tien Woorden uit het scheppingsverhaal.71)

Als je deze essentiële woorden naast je neerlegt, scheur je je los van wat je eigenlijk bent, met alle gevolgen van dien.

De Israëlieten deinzen terug als ze Gods stem horen, ze zijn bang dat het hun het leven kost.72) Gods stem is echter de stem van de liefde. Als Hij zijn stem laat horen, als Hij op zijn sjofar blaast, kust Hij ons.

De getalswaarde van sjofar is 580. 580 is 10 x 58. 10 staat voor alles wat er is en 58 is de getalswaarde van het woord chen. Chen wordt vaak vertaald als “genade”. Iemand genadig zijn is iemand iets goeds geven zonder dat hij het verdient en zonder er iets voor terug te willen hebben. Iemand genadig zijn is goed voor iemand zijn zonder reden.

Sjofar kun je dus vertalen met ‘doorlopend gratis en voor niets goed zijn’.

Ook de thəqīa’, de lange toon van de sjofar heeft 580 als getalswaarde.73)

De stem die de Tien Woorden uitspreekt is dus de stem van de onvoorwaardelijke liefde. Deze liefde was echter zo groot dat ze Mozes smeekten of hij voortaan voor hen met God wilde spreken.

5.3. Het verbondsboek

Mozes gaat de wolk in waar God is en spreekt daar met Hem.

Het Hebreeuwse woord voor ‘wolk’ is ‘ənan. ‘Ənan is verwant met ‘anah, wat ‘antwoorden’ betekent. Daar, in die wolk, antwoord God Mozes dus.

Het gaat hier niet om een antwoord waar je met je verstand of je gevoel wat mee kunt. Voor je verstand of je gevoel is dat antwoord even grillig als de vorm van een wolk. Dit antwoord is bedoeld voor je nəsjamah, voor je ziel die van God komt.

Het gaat om Exodus 20:23-23:33. Dat tekstgedeelte wordt sefèr hà-bərīth, ‘(het) boek (van het) verbond’, genoemd. “Verbond” is een oud woord voor “verband”, “verbinding”. God verbindt zich hier met je nəsjamah. Hij toont je nəsjamah hoe ze één kan zijn met Hem.

Het verbondsboek is een verdere uitleg van de Tien Woorden.

Als je dat “verbondsboek” in vertaling leest, kan alles nogal gedateerd overkomen. Er wordt gesproken over nomaden, over herders die met een kudde schapen, geiten of runderen door het land trekken. Aan die herders heeft God dan allerlei aanwijzingen gegeven. Maar wat heeft dat alles te maken met onze moderne en postmoderne levens?

Volgens Weinreb zijn zulke nomadenverhalen echter voor ons allemaal bedoeld. De herder staat namelijk voor je nəsjamah, je Goddelijke ziel en zijn kudde voor je nèfèsj, je psyche.74)

Je psyche, dat wat je gewoonlijk “ik” noemt, mag dus niet het leidende principe in je leven zijn. Die psyche moet geleid worden door je eigenlijke ik, door dat wat je ten diepste bent, door je nəsjamah. Je nəsjamah is verantwoordelijk voor je psyche. Zij moet je psyche bij elkaar houden, éénmaken. Als je nəsjamah onachtzaam is, dwalen de onderdelen van je psyche alle kanten uit en kunnen in grote problemen komen.

Het verbondsboek spreekt je nəsjamah aan op wat ze is en doet.

6. Een ontwerp

Nadat Mozes de woorden van het verbondsboek met de Israëlieten gedeeld heeft, klimt hij samen met zijn leerling Jozua de berg op.75) Weer is de wolk er en ook iets dat lijkt op “verterend vuur”. In het Hebreeuws staat er esj ochèlèth, ‘vuur dat alles opeet’. Ook hier is er dus het tegenstrijdige verschijnsel van water en vuur.

Mozes en zijn leerling gaan de wolk in en blijven daar 40 dagen en 40 nachten. 40 is de getalswaarde van de letter mēm. Het beeld van de mēm is ‘water’. Water staat voor tijd. Het gebeuren in de wolk is dus iets dat in de tijd plaatsvindt.

God toont Mozes daar een ontwerp van de misjkan, de ‘woning’, de plek waar God bij ons wil wonen.

In Exodus 25 t/m 31 wordt die misjkan, met de voorwerpen die daarin staan, tot in detail beschreven. Ook de kleding van Aäron, die daar als Grote Priester dienst doet, komt aan bod, net als de kleding van zijn zonen, die daar als gewone priester fungeren. Al die dingen hebben een betekenis.

Over die misjkan en alles wat er mee te maken heeft, heb ik het volgende document geschreven:

De beschrijving van de misjkan wordt afgesloten met een oproep om de sjàbbath in ere te houden.76) Volgens de Bijbel schiep God alles in zes dagen en rustte op de zevende dag, de sjàbbath. Die rust typeert ook de misjkan, die een uitbeelding is van deze schepping.77) Misjkan is namelijk verwant aan sjachàn, wat ‘rusten’ betekent.

Alles is al geheiligd, alles is al heel gemaakt, wij hoeven die heelheid zelf niet meer tot stand te brengen.

Tenslotte gaf God Mozes twee stenen platen die Hijzelf gemaakt heeft en waarop Hij met Zijn eigen vinger aan beide kanten de Tien Woorden gegrift heeft.78)

Over stenen heb ik in paragraaf 1.3 al geschreven. Stenen staan voor de verbinding van God en de mensen die hij als Zijn zonen beschouwd.

Ook de platen zijn iets bijzonders. Het Hebreeuwse woord voor plaat is loeàch. Loeàch is verwant met làch, wat ‘fris, groen’ betekent en leàch, wat ‘frisheid, (levens)kracht’ betekent. Bij platen denk je aan “levenloos materiaal”, maar deze platen “leven”. Niet zoals planten die ooit een keer dood gaan, maar als iets dat blijft, dat eeuwig is.

De stenen platen staan dus voor iets dat in verbinding met God staat en iets dat evenals Hij eeuwig leeft.

De platen worden in de Bijbel ook wel de ’edoeth, het ‘getuigenis’ genoemd. ’Edoeth is verwant aan ‘àd, wat ‘eeuwigdurend’ betekent.

In dat duurzame “materiaal” heeft God de Tien Woorden gegrift, de woorden die uitdrukken wie de mens eigenlijk is.79) God geeft Mozes hier dus dat wat wij ten diepste zijn. Weinreb noemt de platen waarin God Zijn woorden heeft gegrift daarom de ‘eeuwige mens’.80)

7. Crisis

7.1. Een cirkel

Onder aan de berg denkt het volk dat Mozes niet meer terugkomt. Ze zijn nu zonder leider en zonder de God die met hem spreekt. Om God toch bij zich te hebben, willen zij dat Aäron Hem voor hen maakt.

Opnieuw nemen hier de ’erèv ràv, ‘gemengde veelheid’ het voortouw.81) Die ’erèv ràv is onze nèfèsj, onze psyche, en die wil God zien, horen, voelen, begrijpen.

Aäron vraagt hen de gouden oorringen van hun vrouwen en kinderen bij hem te brengen.

Eerder schreef ik dat goud voor het licht staat. Aäron vraagt hen dus dat wat hun vrouwen en kinderen glans en schittering geeft bij hem in te leveren.

Volgens de Joodse Overlevering hoopt Aäron dat ze dat offer niet willen brengen. Hun drang om God bij zich te hebben is echter sterker. Als iedereen de oorringen bij hem brengt, kan hij er niet meer onderuit en werpt ze in het vuur. Uit dat vuur komt een “kalf” te voorschijn.82)

Het Hebreeuwse woord voor “kalf” is ‘egèl. ‘Egèl is verwant met ’agol wat ‘rond, cirkel, kring’ betekent. Het gaat dus om iets dat rond is, dat sluitend is, dat klopt.83) En dat noemen zij de “God” die hen uit Mitsràjim verlost heeft.84)

Onze nèfèsj wil graag dat alles klopt. Als dat gebeurt, is er volgens haar iets goddelijks aan de gang.

Ondertussen is Mozes met zijn leerling aan de afdaling begonnen. God brengt hem op de hoogte van het gebeuren en noemt het volk ‘hardnekkig’, ‘hard van nek’.85)

De nek is de verbinding tussen het hoofd en de rest van het lichaam. Volgens Weinreb staat het hoofd voor Gods wereld en de rest van het lichaam voor onze wereld. Als je hard van nek ben, zie je niet dat dat heel andere werelden zijn, dan denk je dat alles in jouw wereld goddelijk is. Dan leef je in de cirkel, dan is het “kalf” jouw god.86)

God is woedend op het volk. Daarom probeert Mozes Hem zachter te maken. Letterlijk staat er in vers 10 dat hij ‘Gods gezicht zacht maakt’, de frons van Zijn gezicht strijkt. Mozes herinnert God aan wat hij de stamvaders van Israël belooft heeft, namelijk dat Hij hun nakomelingen het land Kanaän, het paradijs, zal geven.

Als Mozes afdaalt en het volk rond het “kalf” ziet dansen wordt hij echter zelf boos en werpt de twee platen aan stukken.87)

Dit schilderij heet “Mozes en de platen van de wet” en is in 1966 geschilderd door Marc Chagall. Chagall schildert Mozes op het moment dat hij de platen met de Tien Woorden kapot wil smijten. Zijn verbijsterde gezicht weerspiegelt zich in de platen. Rechts zie je het gouden kalf. Verder is er nog een duif en een kandelaar te zien.

De eeuwige mens valt in scherven. Er is geen eenheid meer.

7.2. Chen

Mozes zoekt God weer op. Als God het volk niet kan vergeven, wil Mozes zelf daar in Israëls plaats de gevolgen dragen. Hij vraagt God zijn eigen naam weg te vegen uit Zijn boek. Dat boek is de Thorah, het eeuwige woord van God. Mozes vraagt God dus hemzélf aan de vergetelheid prijs te geven. Dat weigert God.88)

God zegt dat Hij een engel, een hemelse boodschapper, met het volk mee zal zenden. Hij wil dus niet zélf met het volk meegaan.

Mozes zet buiten de tentenkamp van de Israëlieten een eigen tent op en noemt dit de ‘tent van de samenkomst’. Dat is de naam die God de misjkan gaf toen Hij Mozes het ontwerp liet zien. God komt in Zijn wolk de tent in en spreekt daar met Mozes. Ook Jozua, de leerling van Mozes is er weer bij.89)

God scheidt zich dus af van Zijn volk.

Van Mozes houdt Hij wel. Hij kent Mozes bij naam, Hij gaat intiem met Mozes om. Mozes, zegt de tekst, heeft ‘genade gevonden in Zijn ogen’. Het Hebreeuwse woord voor “genade” is chen, wat ‘goedheid zonder reden’ betekent.90)

Omdat zijn verhouding met God zo vertrouwelijk is, vraagt Mozes God zichzelf aan hem te laten zien. God zegt hem dat Hij Mozes al Zijn goedheid zal laten zien en Zijn Naam zal uitspreken.

In het Hebreeuws zegt Hij dan chànothī èth-àsjèr achon en richamthī èth-àsjèr àràchem. Letterlijk betekenen deze zinsdelen ‘ik ben genadig tot het uiterste als degene die genadig is’ en ‘ik ben moederlijk tot het uiterste als degene die moederlijk is’.91)

De structuur van deze zinsdelen lijkt op die van de naam die God uitsprak bij de doornstruik.92) Weer zegt God hier dat Hij zichzelf trouw blijft. Hij is genadig en Hij blijft genadig, Hij is moederlijk en Hij blijft moederlijk.

Dan wil God dat Mozes nieuwe platen uithakt en bij Hem op de berg komt. Daar op de berg roept God Zijn 13 eigenschappen uit.

13 staat voor de éénheid93). God spreekt hier dus Zijn éénheid uit. Eerst spreekt Hij Zijn Naam JHWH tweemaal uit, daarna noemt Hij zichzelf God, vervolgens beschrijft Hij in allerlei woorden Zijn goedheid, waarna Hij afsluit met zich rechtvaardig te noemen.94)

Volgens de Joodse Overlevering staat de Naam “JHWH” voor Gods genade en de Naam “God” voor Zijn rechtvaardigheid. In de 13 eigenschappen heeft Gods genade, Gods chen dus de voorrang.

Daar houdt Mozes God aan. Op grond van Gods chen moet Hij Zijn volk wel vergeven.

God kan er niet onderuit. Hij beschrijft de nieuwe platen met de Tien Woorden en na 40 dagen en nachten daalt Mozes daarmee af naar het volk.

Er is weer een nieuwe eeuwige mens. En God heeft belooft dat Hij zélf weer met Zijn volk mee zal trekken.

8. De uitvoering

Meteen daarna wordt de misjkan gemaakt aan de hand van het ontwerp dat God Mozes op de berg had laten zien.

Als de misjkan er staat, met alles erop en eraan, bedekt de wolk haar en komt God er in wonen.

9. Verwante documenten

Het hoofddocument van de Hebreeuwse Bijbel is:

De Hebreeuwse Bijbel

Het hoofddocument van de Thorah is:

De Thorah

Het document dat bij “Het boek Exodus” hoort is:

De woning van God

1)
Zie .
8)
Weinreb, F (1976) De Bijbel als Schepping, p. 451.
13)
Mitsràjim wordt meestal vertaald met “Egypte” maar dat is een heel ander woord.
18)
Zie paragraaf 1.3.
25)
Weinreb, F (1976) De Bijbel als Schepping, p. 472.
26)
Weinreb, F (1976) De Bijbel als Schepping, p. 473.
27)
Weinreb, F (1970) De Bijbel en Midrash 326, p. 155.
30)
Weinreb, F (1970), Mozes, Pesach, Ruth, Job, p. 18.
32)
Christenen noemen het “pascha” of “Pasen”.
34)
Weinreb, F (1993), Het Hebreeuwse Alfabet, les 9, p. 10.
35)
Het Hebreeuwse woord voor priester is kohen.
36)
Zie ook Weinreb, F (1990) Symboliek, p. 92, 93.
42)
Weinreb, F (1970), Mozes, Pesach, Ruth, Job, p. 26.
43)
In de Naardense vertaling staat “ontrukken”.
44)
In de Naardense vertaling staat “loskopen”.
47)
Zie voor dit alles Weinreb, F (1970), Mozes, Pesach, Ruth, Job, p. 17, 20.
48) , 51)
Weinreb, F (1976), De Bijbel als Schepping, p. 478.
49)
Zie Weinreb, F, Stenen en kristallen, p. 14.
52)
Weinreb, F (1976), De Bijbel als Schepping, p. 473, 474.
53)
Weinreb, F (1976), De Bijbel als Schepping, p. 129, 136, 137.
55)
Zie Weinreb, F (1976) De Bijbel als Schepping, p. 542-545.
58)
Weinreb, F (1976), De Bijbel als Schepping, p. 548, 549.
59)
Weinreb, F Mirjam – Maria, p. 8.
63)
13 is namelijk de getalswaarde van het woord èchad, dat ‘één’ betekent.
65)
Weinreb, F De Shofar, p. 2a.
66)
Zie paragraaf 3.2.
68)
Weinreb, F De Shofar, p. 2, 2a.
69)
Weinreb, F De Shofar, p. 12.
70)
Weinreb, F (1976) De Bijbel als Schepping, p. 486
71)
Sperling, Harry; Simon, Maurice; Levertoff, Paul P (vert) (1984) The Zohar, Volume III, p. 280.
73)
Weinreb, F De Shofar, p. 23, 24.
74)
Weinreb, F (1976) De Bijbel als Schepping, p. 255.
77)
Zie Weinreb, F (1976) De Bijbel als Schepping, p. 538, 539.
79) , 90)
Zie paragraaf 5.2.
80)
Weinreb, F (1976) De Bijbel als Schepping, p. 514.
81)
Zie paragraaf 3.6.
83)
Zie Weinreb, F (1976) De Bijbel als Schepping, p. 505-507,512,513.
86)
Weinreb, F (1976) De Bijbel als Schepping, p. 510, 511.
92)
Zie paragraaf 1.5.
93)
Zie paragraaf 5.1.