• Exporteer naar PDF

Wat is zonde, wat is geloof, wat is verlossing?

1. Oude christelijke woorden

In dit document wil ik iets vertellen over de godsdienst die al sinds mijn geboorte de mijne is, namelijk het christendom.

Met christendom bedoel ik niet het geheel van weetdingetjes die je met Google op kunt zoeken, maar iets dat daarachter ligt, iets dat je niet eens kunt verwoorden.

Elke godsdienst heeft haar geheim. Een geheim dat je zelfs als “insider” maar moeilijk op het spoor kunt komen. Zelf ben ik al sinds mijn zestiende intensief met het christendom bezig, maar ik kom er steeds meer achter hoe weinig ik er van begrijp. Ik kan er wel van alles over zeggen, maar daarmee blijf ik om iets heen cirkelen, iets dat de kern ervan is.

Over die kern gaat het in dit document. En daarvoor ga ik toch weer allerlei woorden gebruiken.

Daarmee doe ik niets nieuws. Het christendom bestaat al tweeduizend jaar en ondertussen is er een enorme uitlegtraditie ontstaan. Vele orthodoxe, katholieke en protestantse christenen hebben daar hun steentjes aan bijgedragen.

Hierbij gebruikten ze allerlei termen. Termen die bedoeld zijn als wegwijzers, als tekens waarmee je in het christendom de weg kunt vinden. Drie van die termen werden zoveel gebruikt dat ze bij talloze mensen zijn blijven hangen. Het gaat om “zonde”, “geloof” en “verlossing”. Deze termen wil ik in dit document bespreken.

Misschien heb je nu de neiging om weg te klikken. Misschien zijn deze woorden zulke clichés voor je dat je er niets mee kunt, of erger nog, dat ze als stenen op je maag liggen.

Zonde? Is dat geen woord waarmee dominees mensen vroeger het leven zuur maakten?

Geloof? Is dat niet iets voor mensen die als gevolg daarvan niet zelf meer over de dingen durfden na te denken?

Verlossing? Is dat geen mooie droom van mensen die door de preken van die dominees geen kant meer uit konden?

Wordt het geen tijd om dat gepreek van vroeger te vergeten en de woorden “zonde”, “geloof” en “verlossing” te vervangen door “zelfaanvaarding”, “levenswijsheid”, “de kunst om te genieten” of andere positieve woorden?

Ik denk het niet.

Natuurlijk zijn “zelfaanvaarding”, “levenswijsheid”, “de kunst om te genieten” prachtige woorden, maar ze zijn zo algemeen dat ik er het christendom niet mee kan beschrijven. Bovendien zijn het nieuwe woorden die niet in de christelijke traditie te vinden zijn.

Daarom ga ik toch die oude christelijke woorden weer van de plank halen. Ik zal ze oppoetsen om ze weer te laten glanzen. Na afloop mag je me mailen of dat al dan niet gelukt is.

2. Wat is zonde?

2.1. Het bekijken niet waard

In 1993 bracht de Engelse alternatieve rockband Radiohead zijn eerste single uit. De naam van die single was Creep, wat ‘griezel’ betekent.

Deze “griezel” is de ik-persoon van het liedje. Hij ontmoet een vrouw die oogverblindend mooi is. Een vrouw die op een ‘engel’ lijkt en ‘als een veertje’ in een ‘mooie wereld’ ‘zweeft’. Een vrouw die ‘bijzonder’ is.

Hij wil zelf óók ‘bijzonder’ zijn. Hij wil nét zo’n ‘volmaakt lichaam’ en nét zo’n ‘volmaakte ziel’ hebben als die vrouw. Hij wil ‘controle’ over de dingen hebben. Hij wil dat ze het ‘merkt’ als hij er ‘niet is’.

Als dat eindelijk gebeurt, rent ze voor hem weg. Daaruit kan hij maar één conclusie trekken, namelijk dat hij een ‘griezel’, een ‘engerd’ is, dat hij ‘hier niet hoort’, dat hij niet past bij haar en haar mooie wereld.

Dit lied is gecoverd door Scala & the Kolacny brothers, een Belgisch meisjeskoor onder leiding van twee broers. Alex Heller maakte daarbij het volgende animatiefilmpje:


Het filmpje toont ons een zwartharig meisje dat dolgraag bij het groepje blonde schoonheden wil horen dat op een hoge tafel in gesprek is. Als ze die tafel eindelijk durft te beklimmen, gaan de blondines om haar heen staan. Ze pakken haar vast en smijten haar naar beneden. De clip eindigt met een close-up van het afgewezen meisje. De plek waar de andere meisjes zijn, is letterlijk te hoog voor haar.

Het filmpje laat de andere kant zien van de auditieprogramma’s op tv en van de vriendengroepen op de sociale media. De kant van degenen die nooit genoeg complimentjes of likes krijgen om populair te worden. Degenen die gedoemd zijn om in de schaduw te leven, omdat ze het bekijken niet waard zijn.

2.2. Fietsen voor de show

In zijn film Fifteen Million Merits laat de Britse mediapersoonlijkheid Charlie Brooker zien wat er gebeurt als auditie doen alles wordt.

Fifteen Million Merits maakt deel uit van de tv-serie Black Mirror. De titel “Black Mirror” is een verwijzing naar het beeldscherm dat tegenwoordig altijd en overal binnen handbereik is.

In Fifteen Million Merits zijn zelfs de muren opgebouwd uit beeldschermen. Zodra je wakker bent, staan die schermen aan. Je kunt er alleen maar tijdelijk aan ontsnappen als je er merits, punten, voor betaald.

Merits kun je verdienen door de hele dag in een grijs trainingspak op een hometrainer te fietsen. Tijdens het fietsen kun je zappen langs de ontelbare tv-kanalen. Als je 15 miljoen merits bij elkaar gefietst hebt, krijg je een optreden in een talentenshow cadeau. Daarmee maak je kans op een carrière als tv-ster. Alleen fietsers krijgen zo’n kans, de in het geel geklede schoonmakers zijn daar te onaantrekkelijk voor.

Als Bing, één van de fietsers, zijn medefietser Abi op het toilet hoort zingen, wordt hij verliefd op haar en geeft haar zijn merits voor de talentenshow. Voor een driekoppige jury zingt zij het lied ‘what love is (Anyone who knows will understand)’:


In dat lied zingt ze dat ze er altijd voor haar geliefde zal zijn, zelfs als hij haar vernederd. De juryleden zien eerder een pornosterretje in haar dan een zangeres. Onder druk van haar publiek, de avatars van haar medefietsers, stemt zij daarin toe.

Bing blijft achter en wordt gekweld door de pornofilmpjes waarin hij haar ziet optreden. Hij fietst weer 15 miljoen merits bij elkaar en houdt voor dezelfde jury een speech waarin hij hen toebijt hoe fake ze zijn en hoe fake de wereld is die ze gecreëerd hebben:


Jullie kunnen de pot op,’ roept Bing, ‘De pot op omdat jullie mij ’t enige hebben afgepakt wat echt was in m’n leven. Omdat jullie het vermorzeld hebben en bespottelijk hebben gemaakt. Het zoveelste bespottelijke hier.

De revolutie die hij wil veroorzaken, blijft uit. De juryleden bieden hem zendtijd aan om zijn kritiek ongeremd te kunnen blijven spuien en onder druk van zijn publiek stemt hij daarin toe.

2.3. Je zult niet doodslaan

Als auditie doen alles is, besta je slechts in de blik van de anderen.

De Franse filosoof Jean Paul Sartre zou dat “de hel” noemen. Volgens hem doden wij elkaar met onze blikken, maken wij van elkaar levenloze dingen.

Is er een uitweg uit deze wederzijdse slachtpartijen?

Sartres joodse landgenoot Emmanuel Levinas denkt van wel. Als je de moeite neemt om eens goed in de ogen van een medemens te kijken, stuit je daar volgens hem op een goddelijk gebod, namelijk:

Je zult niet doodslaan’.

Als je daaraan gehoorzaamt, kun je die medemens niet meer als “iets”, als een levenloos ding zien. Je ziet hem dan als “iemand”, als een levend wezen. En als je dat doet, wordt je zélf ook “iemand”. Pas dan ontsta je, begin je werkelijk te leven.

In het gelaat van de ander is volgens Levinas God Zelf aanwezig.

Volgens de joodse traditie is het zesde gebod, het ‘Je zult niet doodslaan’, direct gekoppeld aan het eerste gebod ‘Ik ben JHWH, jouw God’.1) God en de ander zijn niet los verkrijgbaar. Ze vormen een onverbrekelijke eenheid.

Nu pas komt de christelijke term “zonde” in beeld.

Zolang je in de wereld leeft van het “doden of gedood worden”, is de ander een bedreiging voor je. Tegelijkertijd ben je van hem afhankelijk. Als hij je “liked” voel je je zelfbewustzijn groeien en als hij je niet “liked” voel je je minderwaardig. Elke afkeuring ervaar je als een aanslag op je ik. En als dat maar vaak genoeg gebeurt, krijgen hun afzenders je in zijn macht, worden zij de “goden” waarvan je er zelf één zou willen wezen maar niet kunt zijn.

In zo’n wereld kun je je maar beter niet “zondig” voelen, want daar wordt meteen misbruik van gemaakt.

Als je het gebod ‘Je zult niet doodslaan’ serieus neemt, verlaat je die wereld met alles erop en eraan. Dan kom je in een wereld van ethiek en verantwoordelijkheid terecht. Pas in die wereld functioneert het woord “zonde”. Met machtsdenken en minderwaardigheidsgevoelens heeft dat woord niets te maken.

2.4. Drie soorten zonde

Als je in een wereld van ethiek en verantwoordelijkheid gaat leven, merk je dat er veel dingen zijn die je niet goed doet. Meestal zijn dat dingen waar je niet eens erg in had, die je zonder het te beseffen gedaan hebt.

De Bijbel, het heilige boek van de christenen en de joden, spreekt van drie soorten zonde:

De eerste soort zonde is chàtah. Dat zijn alle dingen die je verkeerd doet zonder dat je het weet. Volgens Friedrich Weinreb bega je zulke dingen al door er eenvoudigweg te zijn. Bijvoorbeeld door een plaats in te nemen die een ander graag in had willen nemen. Of door iets niet te kunnen doen omdat je ergens anders mee bezig bent. Zonder dat je er iets aan kunt doen, wordt er iets verstoord. Onbedoeld veroorzaak je bij een ander lijden.

De tweede soort zonde is ’awon. Dat zijn dingen die je doet als je denkt dat de dingen van jouw daden afhangen. Wanneer je zo leeft, zegt Weinreb, ga je dingen doen omdat je daar zelf voordeel van hebt. Je redeneert dan in de trant van “dit of dat is goed voor me, dus ik moet dat wel doen”.

De derde soort zonde is pèsjà’. Dat zijn dingen die je doet als God buiten je blikveld is geraakt en er hier volgens jou toch iemand aan de touwtjes moet trekken. Jijzelf. Uiteindelijk kan dat zover gaan dat je over lijken gaat.2)

Je zondigt dus niet alleen als je dingen opzettelijk fout doet en daardoor straf verdient. Zondigen gaat veel dieper. Zonden kunnen het gevolg zijn van de manier waarop je in het leven staat, of zelfs van je leven zelf.

Zonde is dus niet iets dat je zomaar even uit jezelf kunt verwijderen.

2.5. Nederigheid

Volgens de christelijke traditie is ieder mens een zondaar.

Als je “netjes” leeft kun je denken dat je beter bent dan de anderen, maar als je beginsituatie en je omstandigheden anders waren, zou je jezelf wel eens vies tegen kunnen vallen. Ten diepste zit iedereen in hetzelfde schuitje. Daarom past ons nederigheid.

Het Latijnse woord voor nederigheid is humilitas. Humilitas komt van humus, wat ‘aarde’ betekent. Met je denken kun je je soms in de hemel bevinden, maar als je feeling houdt met je lichaam merk je hoe ‘aards’ je bent.

Volgens de Benedictijner monniken Anselm Grün en Meinrad Dufner is humilitasvrienden worden met’ je ‘aardsheid’, je ‘aardse zwaartekracht’, je ‘instincten’, je ‘schaduwzijde’. Het is ‘de moed’ om de ‘waarheid’ over jezelf ‘onder ogen te zien’.

Met jezelf klein maken heeft humilitas niets te maken. Het gaat hier namelijk niet om sociale deugd, maar om een religieuze grondhouding.3)

Zelfs de grootste heiligen hebben humilitas nodig. Antonius, de vader van alle monniken, hoorde eens toen hij in zijn cel aan het bidden was een stem die sprak:

Antonius, u hebt het peil van die en die schoenmaker in Alexandrië nog niet bereikt.

Abt Antonius verliet zijn bidplekje in de woestijn en trok naar de grote stad, waar hij aan de betreffende schoenmaker vroeg wat die zoal deed.

Ik herinner me niet, dat ik ooit iets goed gedaan heb’, zei de schoenmaker, ‘Alleen dit ene: wanneer ik ’s morgens opsta, zet ik me neer voor mijn handenarbeid. Ik zeg dan: Heel deze stad van klein tot groot, zij gaan allen het Koninkrijk binnen wegens hun gerechtigheid. Ik slechts krijg als erfenis de strafplaats wegens mijn zonden. En ’s avonds voor ik ga slapen, zeg ik dezelfde woorden’.

Abt Antonius antwoordde: ‘Waarlijk, als een goede goudsmid die rustig in zijn huis is gezeten, hebt u het Koninkrijk beërfd. En ik, die al die tijd in onnadenkendheid in de woestijn woon, ik evenaar u niet’.4)

In het spoor van Antonius hebben talloze monniken en nonnen door de eeuwen nederigheid als een groot goed gezien. Een voorbeeld daarvan is het doorlopende gebed van orthodoxe kloosterlingen, het Jezusgebed, waarvan de woorden luiden:

Heer Jezus Christus, zoon van God, ontferm U over mij, zondaar’.5)

Eén van hen, de 20e eeuwse monnik Silouan de Athoniet, ziet nederigheid als de grondhouding van de paradijsbewoners:

Allen zullen er in liefde verblijven en door de nederigheid van Christus zullen allen gelukkig zijn door de anderen hoger verheven te zien dan zichzelf. De nederigheid van Christus woont in de allerkleinsten; zij zijn blij dat zij het kleinst zijn’.6)

Volgens Silouan maakt nederigheid het leven ‘eenvoudig en vreugdevol’. ‘Alles’ komt het ‘hart’ dan ‘zoet’ voor.7) Nederigheid is dus zeker niet iets dat je leven zuur en naar maakt.

Ook in de kerken is nederigheid eeuwenlang essentieel geweest. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de traditionele christelijke kerkdienst. Die kun je zien als een stel etappes op weg naar God. De eerste etappe is het Kyrie, het ‘Heer ontferm u’, dat een verkort Jezusgebed is.

Met het Kyrie spreek je uit dat je je door je zonden ver van God verwijderd voelt.

2.6. Ongeloof

Ook in het protestantisme, de jongste hoofdgroep van het christendom, is “zonde” een belangrijk begrip geweest. Dat merk je bijvoorbeeld aan de preken van de protestantse dominees.

Als voorbeeld noem ik een preek van de 19e eeuwse dominee Hermann Friedrich Kohlbrugge, waarin hij Romeinen 14:23b aanhaalt. Daarin zegt Paulus, één van de schrijvers van het jongste gedeelte van de Bijbel:

Alles wat niet uit geloof is, is zonde’.

In Kohlbrugges tijd dacht men bij het woord “zonde” vaak het eerst aan dingen die zich in het lichaam roerden. Mensen die “netjes wilden leven” keurden deze roerselen af en probeerden ze de kop in te drukken. Wanneer hen dat lukte, voelden ze zich vervolgens goede christenen.

Volgens Kohlbrugge zijn zulke roerselen slechts topjes van een ijsberg. Helemaal onderaan huist ongeloof, de neiging om God niet op Zijn Woord te geloven.

Met ongeloof bedoelt hij niet atheïsme. In Kohlbrugges tijd was atheïsme sowieso nog een zeldzaamheid. Met ongeloof bedoelt hij iets dat in ons allemaal leeft, ook als wij religieus zijn.

Het begon, zegt Kohlbrugge, bij het eerste mensenpaar waarover in het tweede en het derde hoofdstuk van het eerste Bijbelboek is geschreven, namelijk Adam en Eva.

God had hen beiden in een hof geplaatst die Eden heette. Eden is een Hebreeuws woord dat ‘verrukking’ betekent. Zij bevonden zich dus in een uiterst gelukkige toestand. Plotseling verscheen daar een duivel in de gedaante van een slang8) die een vraag in hun midden legde. Een vraag die begon met de zinsnede:

Is het echt zo dat God heeft gezegd..

De duivel redeneerde net zo lang tot ze geen van beiden meer in Gods woorden geloofden. Het einde van het liedje was dat ze hun uiterst gelukkige toestand, hun paradijs verlieten en de wereld betraden die ook nu nog de onze is, de wereld waarin elk leven eindigt met de dood.

Dit lijkt misschien een kinderverhaaltje, maar volgens de christelijke traditie is dit een verhaal van ons allemaal, een verhaal dat zich diep in ons onbewuste voltrokken heeft.

In het eerste hoofdstuk van het eerste Bijbelboek staat dat God alles door het woord geschapen heeft. Volgens de joodse traditie is dat woord het bouwplan waarin God keek toen Hij de wereld schiep. De duivel wilde dat de mensen het bouwplan, aan de hand waarvan God ze gemaakt heeft, af zouden wijzen. Dat ze het doel zouden missen dat hun maker voor hen voor ogen had.

Chàtah, de eerste soort zonde, betekent ‘doel missen’. En ’awon en pèsjà’, de tweede en de derde soort zonde, zijn daar verdere ontsporingen van.

Met Gods bouwplan staat ook de mens, die God daarmee gemaakt heeft, op losse schroeven.

De mens moet vernieuwd worden. Er is een nieuwe mens nodig, een ‘tweede mens’, zoals Paulus hem noemt. Die tweede mens is Jezus, een jood uit de 1e eeuw wiens leven vroegtijdig beëindigd werd aan een kruis.

De eerste mens, zegt Paulus, kwam uit de aarde, maar de tweede mens, kwam uit de hemel. Die mens kwam bij God vandaan.9)

Anders dan de eerste mens bleef de tweede mens het Woord van God trouw. In het begin van zijn openbare optreden had een stem uit de hemel hem gezegd dat hij Gods ‘geliefde zoon” was en daar hield hij zich ook aan het kruis nog aan vast. Zelfs toen het donker werd en hij zich van God verlaten voelde, citeerde hij nog een Bijbeltekst.10)

De tweede mens deed wat de eerste mens niet gedaan had.11) Daarom staat hij centraal in het christelijke geloof.

3. Wat is geloof?

3.1. Een duif en een stem

Jezus is de hoofdpersoon van het jongste gedeelte van de Bijbel, het gedeelte dat alleen door christenen geaccepteerd wordt. Dat gedeelte heet het Nieuwe Testament en is oorspronkelijk in het Grieks geschreven.

De kern van dat Nieuwe Testament bestaat uit de vier evangeliën. In elk van die evangeliën staat het verhaal waarin God Jezus “Zijn zoon” noemt. Dat verhaal begint met het optreden van Johannes de Doper.

Johannes riep de joden van zijn tijd op om er voor uit te komen dat ze zondaars waren en zich te laten dopen in de rivier de Jordaan.

Dopen komt van het Griekse woord baptisma, wat ‘onderdompelen (in water)’ betekent. In het Hebreeuws, de taal van het oudste gedeelte van de Bijbel, is er een verband tussen water en tijd.12) Ondergedompeld worden in water kun je dus zien als de tijd ingaan, tijdelijk worden. Alles wat tijdelijk is moet sterven. Toch rijst er na de doop weer iemand op uit het water. Dat is de nieuwe hoedanigheid, het nieuwe mens-zijn.

Ook Jezus liet zich volgens het verhaal door Johannes dopen. Ook hij ging onder in het water. En wat er daarna weer boven kwam, was zijn nieuwe hoedanigheid, zijn nieuwe mens-zijn.

Als dat gebeurt, ziet Johannes de hemel scheuren en de Geest van God, de heilige Geest, in de gedaante van een duif op Jezus neerdalen.

De hemel is in de Bijbel de plek van een wereld die de onze te boven gaat, een wereld waarin God is. Uit die hemel komt de Geest. Het Hebreeuwse woord voor Geest is roeàch. Dat woord is verwant met rèwàch, wat ‘ruimte’ betekent. De Geest van God is dus een ruimte, een ruimte waardoor je van de ene plek naar de andere plek kunt gaan.

En dat is precies wat een duif doet. Duiven worden uitgezonden naar een bepaalde plek, laten daar een bericht achter en keren vervolgens weer naar hun zender terug. In dit geval is de zender God en de ontvanger Jezus.

Dan klinkt een stem, die zegt:

Jij bent mijn zoon, de geliefde, in jou kreeg ik welbehagen’.13)

God noemt Jezus Zijn zoon en dat betekent dat Hij zichzelf als Jezus’ vader ziet. Daarom spreekt het christendom over “de vader” en “de zoon”.

Dit schilderij heet ‘de doop van Jezus in de Jordaan’ en is van Jan Kooistra

Het zoonschap van God is Jezus’ identiteit. Het is de basis waarop hij doet wat hij doet en zegt wat hij zegt. En wanneer die identiteit, als hij aan het kruis hangt, een farce lijkt te zijn, houdt hij er toch aan vast.

Dat is Jezus’ geloof.

3.2. Jouw naam bij zijn naam

De doop is niet iets speciaals voor Jezus. Het is ook iets dat je ondergaat als je Jezus’ volgeling wilt zijn. Je wordt dan gedoopt ‘bij de naam van Jezus Christus’.14)

Zoals ik schreef, noemde God Jezus Zijn geliefde zoon. Als je gedoopt wordt, komt jouw naam bij Jezus’ naam te staan. God beschouwt je dan net als Jezus als Zijn geliefde kind. Ook ontvang je dan, net als Jezus, Gods Geest, de Goddelijke ruimte waardoor Hij contact met je houdt.

Als je Jezus’ volgeling wilt zijn, wordt je ‘tot eenheid met’ hem gedoopt.15) Je laat je oude identiteit dan achter en krijgt een nieuwe identiteit. Die nieuwe identiteit is de identiteit van Jezus, want Jezus is de nieuwe mens.

De doop is in de eerste plaats een gebeuren dat zich afspeelt in het innerlijk. Dat gebeuren kan echter ook uitgebeeld worden. Dat kan tegenwoordig op verschillende manieren.

In de vroege kerk werden met name volwassenen gedoopt. Aan die doop ging een jarenlange voorbereiding vooraf. Je raakte dan vertrouwd met de Bijbel en leerde wat die te maken had met je eigen leven. De doop zelf vond plaats in de paasnacht, de belangrijkste nacht van het kerkelijk jaar, de nacht waarin herdacht werd dat Jezus dood was en weer levend werd.

Volgens De Apostolische Overlevering van Hippolytus van Rome die rond 215 geschreven is, moest je je dan eerst uitkleden. Naakt daalde je af in het water. Daar legde je doopbegeleider zijn hand op je hoofd en vroeg je of je in God, de vader, geloofde. Als je ‘ik geloof’ zei dompelde hij je onder in het water. Wanneer je weer boven kwam, vroeg hij je of je in Jezus, Gods zoon, geloofde en doopte je opnieuw. Tenslotte vroeg hij je of je in Gods heilige Geest geloofde en doopte je voor de derde keer.

Wanneer je uit het water geklommen was, zalfde je doopbegeleider je met olie. Daarna moest je je afdrogen en aankleden, niet met je oude kleren, maar met een nieuw, wit kleed.16)

Je oude kleren staan voor je oude identiteit. Het uittrekken van je oude kleren staat voor het opgeven van je oude identiteit. Het aantrekken van je nieuwe, witte kleed staat voor het aannemen van je nieuwe identiteit in Jezus. Volgens het Nieuwe Testament is Jezus de gezalfde, de Christus17) Je zalving na de doop betekent dat je net als Christus wordt, dat je een christen wordt.

3.3. Èmoenah en pistis

De christelijke doop heeft te maken met het christelijk geloof. Dat geloof is een geloof in Gods woorden, die opgeschreven zijn in de Bijbel. Voor een gelovige vormen die woorden de basis voor wat hij is, zegt en doet.

Het Hebreeuwse woord voor geloof is èmoenah. Èmoenah kun je ook vertalen met ‘vertrouwen’, ‘betrouwbaarheid’, ‘zekerheid’, ‘vastheid’ en ‘duurzaamheid’. Dat zijn allemaal woorden voor iets waar je op aan kunt.

Het geloof is dus iets dat zich baseert op de woorden van God.

Eerder noemde ik die woorden het bouwplan waarin God keek toen Hij de wereld schiep.18) Deze woorden zijn dus zoiets fundamenteels dat alles er mee staat of valt. Jezus, die als geen ander Gods woorden sprak, zegt:

De hemel en de aarde, dat zal voorbijgaan, maar mijn woorden: mogen die niet voorbijgaan!19)

Omdat het geloof zich op zoiets vasts baseert, is het zelf ook iets vasts. Dat blijkt ook uit het Griekse woord voor geloof, namelijk pistis. Net als èmoenah heeft dat woord te maken met ‘vertrouwen’, betrouwbaarheid’ en ‘zekerheid’.

In zijn Hebreeënbrief geeft Paulus de volgende definitie voor geloof:

Geloof viert de werkelijkheid van wat wordt gehoopt,
is het bewijs van gebeurtenissen die niet waarneembaar zijn.
20)

Bij geloof gaat het dus om dingen die je niet kunt zien. Toch worden die dingen “werkelijkheden” genoemd. Werkelijkheden waarvan het geloof zélf het bewijs is.

In onze moderne tijd gebruiken we woorden als “werkelijkheden” en “bewijs” eerder voor wetenschap als voor geloof. Geloof is meer iets voor het gevoel.

In de premoderne tijd geloofde men nog dat de betrouwbaarste zaken op deze wereld met God te maken hadden. Woorden van God beschouwde men toen als de fundamenten van al onze kennis. En op deze woorden is het geloof gebaseerd.

3.4. Geloofsvragen

Christenen gebruikten al vroeg geloofsbelijdenissen. Geloofsbelijdenissen zijn korte samenvattingen van wat het geloof inhoudt.

In latere geloofsbelijdenissen zijn steeds meer redeneringen geslopen. Tegenstanders hebben daar dan weer andere redeneringen tegenover geplaatst. Door al dat denkwerk zijn kerken uit elkaar gedreven die eigenlijk bij elkaar horen. Dat geredeneer begint al in de geloofsbelijdenis van Nicea uit 325.

Zelf pleit ik voor oudere belijdenissen als de Apostolische geloofsbelijdenis, waar denken nog niet zo’n rol speelt. Een vroege vorm van deze belijdenis vind je in De Apostolische Overlevering van Hippolytus waar ik in paragraaf 3.2 over schreef. Die bestaat uit drie vragen:

Geloof je in God, de vader die alle macht heeft?

Geloof je in Christus Jezus, de zoon van God,
Die voortgebracht is door de heilige Geest heen uit de maagd Maria,
Die gekruisigd is op (bevel van) Pontius Pilatus en als gevolg daarvan gestorven is
En die op de derde dag opgestaan is, levend uit de dood
En die naar boven gegaan is, de hemel in
En die neergezeten is, rechts van de vader,
Die komt onderscheiden de levenden en de doden?

Geloof je in de heilige Geest in de heilige vergadering?

Dat alles vroeg de doopbegeleider aan de dopelingen voor hij hen doopte. De dopelingen antwoordden ze dan met ‘ik geloof’, ofwel “ik vertrouw er op”, “ik weet het zeker”. Ze zagen die dingen niet. Ze konden ze niet zien, want geloof gaat over dingen die niet waarneembaar zijn.

Het gaat hier dus niet over wetenschappelijk aantoonbare feiten. Maar wel over werkelijkheden.

In mijn document Negen zinnen over geloof zal ik Hippolytus’ zinnen één voor één bespreken. Daar probeer ik iets aan te tippen van de werkelijkheden waarnaar ze verwijzen.

4. Wat is verlossing?

4.1. Een christelijke weg naar God

Als je in de vroege kerk gedoopt was, mocht je deelnemen aan “de maaltijd”. Deze maaltijd was het hoogtepunt van de bijeenkomst die christenen wekelijks met elkaar hadden.

De christelijke bijeenkomst kun je zien als een christelijke weg naar God. In het begin van die weg voel je je nog ver van Hem verwijderd, maar aan het einde van die weg heb je een intieme ontmoeting met Hem gehad.

Dat begin kan op verschillende manieren worden uitgedrukt:

In de orthodoxe kerken gebeurt dat door iemand die in zijn gebed God allerlei problemen voorlegt. De anderen bevestigen zijn gebed met de uitspraak:

Heer ontferm u

In de katholieke kerk en in veel protestantse kerken wordt hier het Kyrie gebeden:

Heer ontferm u. Christus ontferm u. Heer ontferm u

Met dit soort gebeden druk je uit dat je barrières op de weg naar God ziet. Barrières die je zelf ook hebt helpen opbouwen.

Daarna komt de Bijbel in de bijeenkomst aan bod. De Bijbel is het boek dat Gods woorden bevat. Sommige van die woorden worden in de bijeenkomst gelezen en daarna uitgelegd.

In deze woorden probeert God de afstand tussen Hem en jou te overbruggen.

Alle mensen mogen bij deze Woorddienst aanwezig zijn, welke redenen ze ook voor hun aanwezigheid hebben.

Wanneer die redenen serieuzer worden, kun je besluiten om je te laten dopen. Je meldt je dan aan als doopleerling. In de vroege kerk ging je dan een leertraject in waarin je niet alleen kennis maakte met de Bijbel, maar ook dingen leerde over jezelf. De Woorddienst werd dan iets persoonlijks. De Bijbel was niet meer een boek dat over algemeenheden gaat, maar dat met jezélf te maken had. De Bijbel werd een geloofsboek voor je.

Aan het einde van de Woorddienst moesten alle mensen die nog niet gedoopt waren de bijeenkomst verlaten. Tegenwoordig hoeft dat niet meer. In de orthodoxe kerken wordt nog wel het moment aangegeven waarop de ongedoopten moesten vertrekken.

Dan begint het laatste gedeelte van de bijeenkomst. Een gedeelte dat bedoeld is voor gedoopte mensen. Dat gedeelte is de maaltijd die in de vroege kerk de agapē, de liefdesmaaltijd werd genoemd.

Tegenwoordig wordt er in de kerk alleen nog een stukje brood en een slokje wijn genuttigd, maar in de vroege kerk ging het om een hele maaltijd. Die maaltijd was het doel van de hele bijeenkomst. Daar had je een intieme ontmoeting met God en met elkaar. In die ontmoeting voelde je je een verlost mens.

De christelijke weg naar God bestaat dus uit drie gedeelten:

  1. Het deel waarin je de barrières tussen jou en God eerlijk benoemt.
  2. Het deel waarin je luistert naar Gods woorden, naar je doop toeleeft en die uiteindelijk ondergaat.
  3. Het deel waarin je deelneemt aan de liefdesmaaltijd.

Bij het eerste deel hoort het trefwoord “zonde”, bij het tweede deel hoort het trefwoord “geloof” en bij het derde deel hoort het trefwoord “verlossing”:

4.2. De maaltijd van Jezus

De maaltijd die christenen aan het einde van hun bijeenkomsten vieren, is gebaseerd op de maaltijd die Jezus samen met zijn leerlingen hield voordat hij door de joodse leiders werd gearresteerd en berecht.

Die maaltijd was een sedermaaltijd, een maaltijd waarbij de joden herdenken dat God hun voorouders uit Mitsràjim, het ‘rijk van de angst’ verlost heeft. Tijdens die maaltijd werden ongezuurde broden gegeten en vier bekers wijn gedronken.

Het Hebreeuwse woord voor eten is achàl. Achàl is verwant met kol, wat ‘alles’ betekent. Achàl zou je kunnen vertalen als ‘ik (neem) alles (in mij op)’. Dit gaat verder dan calorieën tot je nemen. Ook de dingen die je meemaakt horen hierbij.

Het Hebreeuwse woord voor brood is lèchèm. Lèchèm is verwant aan lachem, wat ‘strijd’ betekent. Strijd is dat wat het leven hier typeert. In dit leven moet je je altijd handhaven, want anders ga je ten onder. Als je brood eet, maak je deel uit van die strijd.

In dit geval gaat het om ongezuurd brood. Dit wordt ook wel “brood der armoede” genoemd. Een arme weet dat hij zichzelf in deze wereld niet kan handhaven, dat hij een ander nodig heeft om hem te verlossen.

Het Hebreeuwse woord voor drinken is sjàthàh. Sjàthàh is verwant met sjathah wat ‘fundament’ betekent. Drinken is dus de basis.

In dit geval gaat het om wijn, de drank van de vreugde. Vreugde om wat God gaat doen. God gaat hen namelijk uit Mitsràjim, het ‘rijk van de angst’ weghalen. Elk van de bekers staat voor een aspect daarvan. De eerste voor het “uitleiden”, de tweede voor het “redden”, de derde voor het “verlossen” en het vierde voor het “tot Zich nemen”.21)

Aan die sedermaaltijd gaf Jezus een eigen betekenis. In het ongezuurde brood zag hij zijn lichaam dat voor zijn volgelingen ‘verbroken’ zou worden en in de wijn zijn bloed dat voor hen ‘vergoten’ zou worden.22)

Jezus beleefde zijn naderende lijden en dood als een offergang, als een weg naar God. En in die weg nam hij ook zijn volgelingen mee. Als zij deel zouden nemen aan zijn leven, zouden ze met hem verlost worden.

Dat is de betekenis van de maaltijd die Jezus vlak voor zijn arrestatie met zijn leerlingen nuttigde. Op het raam van “het leven van de apostelen” in de Kathedraal van Chartres is dit “laatste avondmaal” als volgt afgebeeld:

 Dit paneel heet ‘het laatste avondmaal’ en is onderdeel van ‘het leven van de apostelen’, raam 0 in de Chartres Kathedraal. De foto is gemaakt door Dr Stuart Whatling en met toestemming overgenomen van zijn site “The Corpus of Medieval Narrative Art” (zie http://www.medievalart.org.uk).

4.3. De maaltijd die liefde is

Eerder schreef ik dat in de vroege kerk nieuwe gelovigen in de paasnacht gedoopt werden. Dit gebeurde op een plek die buiten de kerk lag.

Na hun doop gingen ze met hun doopbegeleider naar de kerk. In zijn boek Christus volgen noemt M.A. van Willigen een lied dat dopelingen op weg naar de kerk hebben gezongen:

Vooruitziend naar het maal van het Lam23)
Met witte klederen24) aangedaan
Na ’t doorgaan van de Rode Zee25)
Zingen wij tot Christus, onze Heer.

Door van dit heilige kleine lichaam te proeven26)
Verbrand als het is op het altaar van het kruis,27)
Door zijn rozerode bloed28)
Leven wij nu voor God.

Op de avond van de Paasdag beschut
Tegen de engel van het verderf29)
En aan de harde heerschappij
Van de farao voorgoed ontrukt.30)

Christus is ons paaslam, 31)
Hij die als Lam geofferd werd.
Hij is waarlijk ongedesemd brood,
Zijn vlees is ten offer gebracht.

O waarlijk edel offerlam
Waardoor het dodenrijk in stukken gebroken werd.
Verlost is nu het krijgsgevangen volk.32)
Het loon van het eeuwige leven teruggegeven.33)

Nu Christus opstaat uit het graf.
Als overwinnaar uit de diepte wederkeert.34)
De tyran voor eeuwig in de boeien slaat35)
En het paradijs voor ons ontsluit.36)

In dit lied worden de doop en de maaltijd aan elkaar gekoppeld. Eenmaal in de kerk mochten de dopelingen namelijk voor het eerst deelnemen aan de maaltijd.

Zoals ik al schreef, werd die maaltijd de agapē genoemd. Agapē is Grieks voor ‘liefde’. Het gaat hier dus om een maaltijd die liefde ís.

Liefde is een heel belangrijk woord in de Bijbel. Volgens Jezus kun je de Thorah en de Profeten samenvatten in twee voorschriften:

  • Liefhebben zul je de Heer, je God met heel je hart en heel je ziel en heel je verstand’.
  • Liefhebben zul je je naaste als jezelf’.

Beide voorschriften draaien om liefde.37) En omdat die Thorah en die Profeten de kern van de Bijbel zijn, kun je zeggen dat de hele Bijbel draait om liefde.

Liefde is niet zomaar een voorschrift. Liefde, zegt Johannes, ís God, is dat wat God eigenlijk ís.38)

Dat blijkt ook uit het Hebreeuwse woord voor liefde, namelijk àhàvah.

Àhàvah bestaat uit de letters alèf, , bēth en . De getalswaarden van deze letters zijn respectievelijk 1 , 5, 2 en 5. Dat is samen 13. Dit is ook de getalswaarde van het woord èchad, wat ‘één’ betekent. In onze wereld wordt alles gekenmerkt door tegenstellingen. Alleen God is één. In Deuteronomium 6:4 staat daarom:

Hoor Israël! JHWH (is) onze God, JHWH (is) één!39)

Àhàvah is dus Goddelijke liefde, liefde-die-God-is. Niet voor niets begint het woord Àhàvah met een alèf. De alèf is de letter van de éénheid, die God kenmerkt.

Op die alèf volgt een . Het beeld van de is het venster, waardoor je uitkijkt naar iets anders. De staat voor het verlangen naar het andere. Dat andere is de volgende letter, de bēth. De bēth is de letter van de tweeheid, die onze wereld kenmerkt. Ook die letter wordt gevolgd door een , een letter van het verlangen.

Àhàvah is dus de liefde tussen God en onze wereld. God verlangt naar onze wereld, waarop onze wereld gaat verlangen naar God.

Wij’ zegt Johannes, ‘we hebben lief omdat hij40) als eerste ons heeft liefgehad’.41)

Deze liefde is de maaltijd die hier genuttigd wordt.

Die maaltijd is in de eerste plaats een innerlijk gebeuren. Dat gebeuren kan echter ook uitgebeeld worden. De orthodoxen en de katholieken noemen dat de communie en de protestanten het avondmaal.

4.4. Een verlossende nul

In de vorige paragraaf sprak ik over de maaltijd die liefde is. Maar wat is eigenlijk liefde?

Terug naar àhàvah, het Hebreeuwse woord voor liefde. Àhàvah is verwant met de woorden jahàv, hàv en havah, die alle drie ‘geven’ betekenen. Àhàvah zou je dus kunnen vertalen als ‘ik geef’.

Dit is geen liefde die stiekem iets terugverlangt, maar liefde die zomaar, “om-niet”, uitgedeeld wordt. Liefde die altijd doorgaat, hoeveel tegenstand het ook ondervind en hoeveel het hemzelf ook kost.

Die liefde is de liefde van het lam.

Het lam, zegt Weinreb, is er al voordat God begint te spreken om de schepping tot stand te brengen. Het lam woont in het “Niets”. Het is het “Niets”, de nul die zich niet hoeft te handhaven.42)

Als Johannes de Doper Jezus ziet, herkent hij in hem dat lam. ‘Zie, zegt hij, ’het lam van God dat wegdraagt de zonde der wereld’.43)

Johannes verwijst hier naar het lam waarvan de joden in Mitsràjim, het rijk van de angst, het bloed op de posten van hun huisdeuren smeerden. Dat belette de sjachàth, de verderver, naar binnen te komen om hun eerstgeborenen te doden.44)

In Exodus 12:5 staat dat dit lam een mannetje moest zijn en van de schapen of de geiten genomen kon worden. Letterlijk staat er niet “schapen of geiten”, maar “schapen én geiten”. Het gaat hier dus om een lam dat tegelijkertijd een jonge ram en een jong geitenbokje is.

Volgens de Thorah konden beiden dienen als offerdieren, dieren waarmee je tot God kunt naderen.45) Geitenbokken konden daarnaast nog dienen om de zonde weg te dragen.46) Naar dat gebeuren wijst Johannes in zijn tekst over Jezus.

Jezus, zegt Johannes de Doper dus, heeft alle belemmeringen weggenomen om bij God te kunnen komen, om de wereld van de éénheid te kunnen betreden.

Die wereld is de wereld van de liefde. En die liefde is zo groot, zegt Johannes, dat ze de fobos, de angst uitdrijft.47)

Die angst is de angst van Mitsràjim, dat letterlijk ‘angst (van de) dubbelheid’ betekent.48) Angst omdat je alleen maar scheidingen en tegenstellingen ziet en niet kunt geloven dat die ooit nog één kunnen worden.

In de wereld van de liefde ervaar je echter de éénheid. In die wereld is het afgelopen met de angst. In die wereld ben je werkelijk verlost. En dat is precies wat er in de maaltijd-die-liefde-is gebeurt.

Die maaltijd is niet alleen iets voor brave mensen. Volgens de Bijbel at Jezus met allerlei mensen, ook met mensen waarvan iedereen wist dat ze slechteriken waren.49)

Jezus’ beste vrienden, die zichzelf aan de goede kant schaarden, zouden hem bij zijn arrestatie allemaal in de steek laten.50) Eén van hen zou zelfs ontkennen dat hij Jezus kende.51) Maar dat belette Jezus niet met hen te eten. Zelfs zijn verrader was bij de liefdesmaaltijd aanwezig.52)

In Lied 347:4-8 van het protestantse Liedboek voor de kerken bezingt Huub Oosterhuis deze maaltijd als volgt:

Wij werden nieuw geboren,
toen de mens Jezus kwam,
die als een slaaf de zonde
der wereld op zich nam.

Met Hem in geest en water
tot zoon van God gewijd,
zijn wij met Hem begraven,
verrezen voor altijd.

Gestorven voor de zonde,
in Jezus' bloed vereend
en met elkaar verbonden,
levend voor God alleen.

Wie Jezus' kelk wil drinken
zijn doop wil ondergaan,
zal in de dood verzinken
en uit die dood opstaan.

Hij zal zijn leven geven,
Hij maakt zichzelf tot brood
Hij sterft en anderen leven,
Hij overleeft de dood.
53)

5. Verwante documenten

Het hoofddocument voor dit document met vragen is:

Andere documenten met vragen zijn:

Het document dat bij “Wat is zonde, wat is geloof, wat is verlossing?” hoort is:

2)
Zie Weinreb, F (1990) Symboliek, p. 164, 165.
3)
Zie Grün, Anselm; Dufner, Meinrad (1996) Spiritualiteit van beneden, p. 10.
4)
Wagenaar, Christofoor (1981) Leven, getuigenissen, brieven van de heilige Antonius Abt, p. 240, 241.
5)
“Heer”, “Christus” en “zoon van God” zijn titels die door christenen voor Jezus gebruikt worden.
6)
Archimandriet Sophrony (2007) De heilige Silouan de Athoniet, p. 321.
7)
Sophrony, idem, p. 320.
8)
De duivel is in de Bijbel de verpersoonlijking van het kwaad.
11)
Hermann Friedrich Kohlbrugge, Twaalf twaalftallen, Tweede twaalftal, preek 14 over Romeinen 6:2.
16)
Hippolytus van Rome (1984) De Apostolische Overlevering, p. 28-30.
17)
Christus is de Griekse vertaling van het Hebreeuwse Messias, wat ‘gezalfde’ betekent.
18)
Zie paragraaf 2.6.
23)
Met het lam wordt Jezus bedoeld.
24)
De klederen die de dopeling na hun doop aantrokken.
25)
De rietzee die staat voor het doopwater. Meer over deze rietzee kun je lezen in De zee van het einde.
26)
Het brood dat staat voor het lichaam van Christus.
27)
Het kruis wordt hier gezien als een offerplaats.
28)
De wijn die staat voor het bloed van Christus.
29)
De verderver, waar ik het in paragraaf 4.4. nog over zal hebben
30)
De farao staat voor de duivel, de heerser in het ‘rijk van de angst’.
31)
Meer over het paaslam kun je lezen in Het lam.
32)
De gestorvenen die in het dodenrijk werden vastgehouden.
33)
Jezus heeft met zijn opstanding de dood overwonnen.
34)
De diepte is het dodenrijk.
35)
De tyran is de Farao, die weer staat voor de duivel.
36)
Willigen, dr. M.A. van (2014) Christus volgen. Doop en avondmaal in de Vroege Kerk, p. 74,75.
39)
Meer over JHWH, Gods naam, vind je in De trage tijd.
40)
God
42)
Zie Weinreb, Friedrich (1981) Letters van het leven., p. 40 en Weinreb, F (1970) Mozes, Pesach, Ruth, Job, p. 18.
45)
Meer over offerdieren vind je in mijn document Het boek Leviticus.
46)
Meer hierover vind je in De dag dat alles één wordt.
53)
Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied (1973) Liedboek voor de kerken, Lied 347:4-8.