• Exporteer naar PDF

Op weg naar de eenheid

1. Terugkeren

Aan het einde van het Bijbelboek Exodus wordt tot in het detail beschreven hoe een bepaalde tent eruit ziet en welke voorwerpen daarin staan. De tent staat midden in een tentenkamp van Israëlieten die haar als de woning van hun God beschouwen.

Het Hebreeuwse woord voor die tent is misjkan. In het document De woning van God heb ik die misjkan met alles erop en eraan beschreven. Bij nader inzicht bleek het niet om een nomadentent van een nomadengod te gaan, maar om een voorstelling van wie wij mensen ten diepste zijn en van de wereld waarin dat diepste zelf leeft.

Die wereld is niet de wereld waar wij normaal gesproken in leven. In de wereld waar wij normaal gesproken in leven bestaat alles uit tegenstellingen.

Zonder tegenstellingen kunnen wij niet eens denken. Volgens de Hebreeuwse Bijbel, het boek waar ook Exodus deel van uit maakt, zijn al die paren echter afsplitsingen van iets wat één is. Die éénheid noemt zij “God” en het splitsingsproces noemt zij “schepping”. Een schepping die pas af is als alles ook weer terugkeert naar de éénheid, naar God.

Als wij mensen naar God terugkeren, verandert onze innerlijke structuur. Er zijn drie fasen van verandering. Deze fasen komen overeen met de drie niveaus van de woning van God, namelijk:

  1. De Voorhof.
  2. Het Heilige.
  3. Het Heilige van de heiligen, waar de àrōn staat.

De àrōn is het voorwerp waar de Tien Woorden in liggen, de woorden die uitdrukken wie de mens eigenlijk is. Op die plek zijn wij weer één geworden. Op die plek zijn wij weer terug bij God.

Maar hoe komen we daar?

Over de weg naar de éénheid, de weg naar God, gaat het Bijbelboek dat op Exodus volgt, namelijk Leviticus. In dat boek wordt beschreven hoe je tot God kunt naderen. Je doet dat met je qorban. Qorban is afgeleid van qaràv, wat ‘naderen’ betekent.

De laatste letter van het woord qorban is een noen. De getalswaarde van de noen is 50. 50 is het getal van de andere wereld, de wereld van God. Qorban zou je dus kunnen vertalen als ‘dat wat de wereld van God nadert’.

In vertalingen wordt meestal gesproken van een offer. Je denkt dan al gauw aan een nomade die een dier naar een priesterfiguur brengt, die het dier voor hem slacht, op een altaar legt en in brand steekt.

Qorban is echter iets wat ons allemaal aangaat. Niet voor niets wordt al in het tweede vers van Leviticus over dé mens gesproken.

Het Hebreeuwse woord voor dé mens is Adam. Adam komt van damah wat ‘lijken op’. Adam zou je kunnen vertalen als ‘ik lijk op’.

Waar lijkt hij op? Op God. In Genesis 1:26 staat namelijk dat God ons, mensen, in Zijn beeld heeft geschapen. Wij zijn dus wezens die God weerspiegelen. Diep in ons is iets wat dat doet. De Joodse Overlevering noemt dat de nəsjamah. Deze nəsjamah is wat wij eigenlijk zijn.

Dát is Adam, dé mens. Deze mens gaat hier zijn “dier” naar de woning van God gaat brengen. Dat “dier” is alles in ons dat te maken heeft met ons “leven hier”, ons leven in deze wereld. Het is ons lichaam en onze psyche. Normaal gesproken denken wij dat wij dát zijn, dat wij ons lichaam en onze psyche zijn. De Joodse Overlevering noemt dat echter ons “dier”.

In Gods woning gaat er een heleboel met dat “dier” gebeuren. In dit document wil ik daarover schrijven.

De Bijbelse stof voor dat alles vind je vooral in hoofdstuk 1 t/m 7, 8 t/m 10, 16, 21 en 22 van het boek Leviticus. Al deze hoofdstukken zal ik in het document behandelen. Ik ga daarbij niet uit van de beelden die de vertaling bij ons oproept, maar van het Hebreeuws, de taal waarin deze teksten oorspronkelijk geschreven zijn.

2. Qorban

Er zijn verschillende manieren om bij God te komen. De Bijbel noemt al die manieren qorban:

  1. ‘Olah.1)
  2. Minchah.2)
  3. Zèvach hà-sjəlamīm.3)
  4. Asjam en chàtāth.4)

Bij de eerste, de derde en de vierde manier gaan mensen met hun dier naar de woning van God.

Zoals ik al schreef, staat de mens voor ons diepste wezen en het dier voor ons lichaam en onze psyche. In de Bijbeltekst wordt gesproken over verschillende soorten dieren:

  1. Runderen.
  2. Kleinvee, namelijk schapen en geiten.
  3. Vogels, namelijk tortelduiven en jonge duiven.

Deze dieren staan voor verschillende hoedanigheden van ons lichaam en onze psyche. Deze hoedanigheden zal ik verderop in het document bespreken.

Bij de tweede manier gaat onze psyche zélf op weg naar God. Die psyche neemt een product van tarwe mee. Dit product gaat gepaard met olijfolie en wierook. Dit plantaardige materiaal staat voor onze psyche wanneer die in harmonie is met ons diepste wezen. Ook dat zal ik verderop in het document bespreken.

Al deze planten en dieren zijn de onderdelen van onszelf die wij tot God, tot de éénheid brengen.

Zonder de priester is dat alles dat niet mogelijk. De priester zorgt er namelijk voor dat al deze onderdelen op de juiste manier bij God komen.

Het Hebreeuwse woord voor priester is kohen, wat ‘als hen’ betekent. “Hen” zijn de engelen.5) Engelen zijn in de Bijbel boodschappers tussen onze wereld en Gods wereld. Zij zorgen ervoor dat die werelden met elkaar in contact komen. Priesters doen iets dergelijks. Zij brengen dat wat wij in onze wereld zijn namelijk in contact met God.

Behalve de kohen, de ‘priester’, is er ook nog de kohen gadol, de ‘grote priester’. Deze grote priester brengt dat wat wij in onze wereld zijn nog dichter bij God dan de gewone priester. In het boek Leviticus en de rest van de Thorah is de grote priester Aäron en zijn de gewone priesters zijn zonen.

Meer over deze priesters vind je in hoofdstuk 8.

3. ‘Olah met runderen en kleinvee

3.1. Runderen en kleinvee

De eerste manier om God te naderen is ’olah.

’Olah wordt vaak met “brandoffer” vertaald, maar dan denk je waarschijnlijk meteen aan een nomadisch dierenoffer. Hier wil ik het echter hebben over iets wat in jezelf plaatsvindt.

’Olah is verwant met ‘alah, wat ‘opstijgen’ betekent. Volgens Friedrich Weinreb is ’olah ons verlangen om de aarde met de hemel te verbinden, om onze wereld te koppelen aan de wereld van God.6)

Volgens het boek Leviticus kan ‘olah met verschillende dieren plaatsvinden.

Ten eerste met runderen:

Een “rund” is alles in jezelf dat een “afgod” kan worden. Een afgod is dat wat je in plaats van God zélf in het middelpunt van je leven plaatst.

Het Hebreeuwse woord voor rund, baqar, is verwant met baqàr, wat ‘toezicht houden op, onderzoeken van’ betekent. Het rund heeft dus te maken met je verstand, met de manier waarop je redeneert en de manier waarop je de dingen bekijkt. Als je alleen maar afgaat op jouw manier van redeneren en jouw manier van kijken naar de dingen wordt dat je “afgod”.7)

’Olah kan ten tweede ook plaatsvinden met kleinvee, ofwel schapen en geiten:

“Kleinvee” is alles in jezelf waar je voor moet zorgen. Kleinvee is afhankelijk van iets anders. Als je er niet voor zorgt, gaat het dwalen en komt het van alles tegen dat het als een “afgod” zou kunnen gaan vereren.8)

3.2. Drie voorwaarden

Je nəsjamah, je diepste wezen, gaat dat alles echter naar God brengen. Ze gaat je “rund”, je verstand, in aanraking brengen met Dat wat dat verstand te boven gaat en ze gaat je “kleinvee” brengen naar een Herder die in staat is om ervoor te zorgen.

Voor ze op pad gaat, moet ze op drie dingen letten:

Ten eerste moet dat “rund” of dat “kleinvee” mannelijk zijn. In de Bijbel staat het mannelijke voor de verborgen kant van de dingen. Je lichaam en je psyche hebben ook zo’n verborgen kant. Deze kant moet je hier dus naar God brengen.

Ten tweede mag het geen gebrek hebben. Als je een probleem hebt, wil je er vanaf. Je hoopt dan dat God je daar van af zal helpen. Maar dan heb je dus een réden om God op te zoeken. Hier moet je echter op weg gaan zonder dat het je wat op zal leveren.

Ten derde moet je nəsjamah, je diepste wezen, het helemaal zélf wíllen. Ze kan haar dier niet naar Gods woning brengen, als ze door iets of iemand gepusht wordt.9)

3.3. Wat jij doet

Als aan die voorwaarden voldaan is, kun je op pad gaan naar God. Op dat pad gaat er dan van alles met je “dier”, met je “leven hier”, met je leven in deze wereld, gebeuren.

Twee dingen moet je zélf doen:

Eerst moet je met je hand op het hoofd van je “dier” steunen. Ik bedoel dan niet iets wat je hier zou kunnen filmen, maar iets wat van binnen bij je gebeurt.

Het Hebreeuwse woord voor “hand” is jad. Jad kan ook ‘kracht’ betekenen. Een hand hebben is dus de kracht hebben om iets tot stand te brengen. Het Hebreeuwse woord voor “hoofd” is rosj. Rosj kan ook ‘totaal’ betekenen. In je hoofd is heel je lichaam al aanwezig. Je hoofd is je lichaam in notendop.

In dit geval is je “hand” dat wat je met je diepste wezen doet en het “hoofd van je dier” je hele leven hier. Dat hele leven hier geef je nu over aan God.10)

Vervolgens snij je de “kring” door. De “kring” is je bloedbaan. Ook dat moet je niet te letterlijk nemen. Het is geen bloederig ritueel waarin een rituele slager de halsslagader van een dier doorsnijdt.

Volgens de Bijbel is het bloed de drager van je nèfèsj, je ziel, je psyche.11) Die psyche is geneigd om zich in haar eigen wereldje op te sluiten. Om bij God te komen, moet ze echter naar buiten komen. Dat gebeurt als de “kring” doorgesneden wordt.12)

Dit alles vind plaats aan de noordzijde van de voorhof, het eerste niveau van de woning van God.

3.4. Wat de priester doet

Vanaf het moment dat je de “kring” doorgesneden hebt, heb je geen greep meer op wat er met je “leven hier”, met je leven in deze wereld, gebeurt. De priester neemt het dan over. Hij gaat aan het werk om je leven naar God te brengen.

Eerst brengt hij je bloed, je psyche, naar de hoeken van het offeraltaar aan de zuidkant van de voorhof van de woning van God:

Het Hebreeuwse woord voor offeraltaar is mizbeàch ‘olah, wat de ‘slachtplek van het opstijgen’ betekent. Het offeraltaar is dus de plek waar je leven hier opstijgt naar God, waar je leven hier met God verbonden wordt.

De hoeken van het offeraltaar staan voor het doorbreken van de gewone gang van de dingen. Als je bloed, je psyche, bij die hoeken komt, beleef je dingen die je nog nooit beleeft heb.13)

Vervolgens wordt de huid van het dier afgestroopt:

Het Hebreeuwse woord voor “huid” is ’or. ’Or klinkt bijna hetzelfde als or, wat ‘licht’ betekent. Or, licht, begint echter met een alèf en ’or, huid, met een ’àjin. De alèf staat voor de éénheid en de ’àjin voor de veelheid.

Volgens de Joodse Overlevering straalden de mensen toen ze nog in het paradijs waren licht uit. Nadat ze van de boom van de kennis van goed en kwaad gegeten hadden,14) verdween dat licht. Daardoor merkten ze dat ze naakt waren.

Om die naaktheid te bedekken, gaf God hen een huid. Nu stonden ze echter niet meer in contact met de wereld van de éénheid maar met de wereld van de véélheid.15)

Hier, bij het offeraltaar, wordt deze huid weggenomen. Zo wordt je klaargemaakt om weer in contact te komen met de éénheid, met God.16)

Het afgestroopte dier wordt dan in stukken verdeeld. De éénheid die je leven hier tot nu toe had, is namelijk niet de éénheid die je leven voor God heeft. De éénheid van je leven hier is een geconstrueerde éénheid, een éénheid die je zélf gemaakt hebt. Die wordt hier nu ongedaan gemaakt.

Tenslotte worden het inwendige en de poten van het dier met water gewassen:

Het Hebreeuwse woord voor “inwendige” is qèrèv. Qèrèv is verwant met qaràv, ‘naderen’. Het inwendige is dus alles in je leven hier dat tot God nadert.

Het Hebreeuwse woord voor “poten” is kara’. Kara’ is verwant met karà’, wat ‘(de knieën) buigen, neerknielen’ betekent. De poten zijn dus alles in je leven hier dat kan buigen voor iets dat hoger is dan jezelf.

Dat inwendige en die poten worden nu gewassen met water. In de Bijbel staat water voor de tijd. Die tijd maakt je geschikt om op de juiste manier tot God te naderen.

3.5. Wat God doet

Het afgestroopte dier wordt door de priester in stukken op het offeraltaar geschikt, waarna het vuur dat van God komt alles verbrandt.

Water staat voor de langzame tijd, de tijd waarin wij leven, en vuur staat voor de bliksemsnelle tijd, de tijd waarin God leeft.17)

In de tijd waarin wij leven worden we oppervlakkig gereinigd. In de tijd waarin God leeft worden we veel dieper gereinigd. In het laatste geval kunnen we niet meer blijven leven zoals we dat gewend waren. We leven dan in een andere wereld, in Gods wereld. Dat betekent het verbranden van het dier op het altaar.18)

De geuren die dan van dat dier omhoog stijgen, noemt de tekst een rejàch nichowàch, een ‘rustbrengende reuk’ voor God. Rejàch, ‘reuk’ is verwant aan roeàch, ‘geest’. Die geest stijgt nu op uit ons leven hier en gaat Gods wereld binnen. Zo verbindt ze ons leven hier met God.

In de volgende twee afbeeldingen laat ik het hele proces van ‘olah voor runderen en kleinvee nog eens de revue passeren.

In de eerste afbeelding beschrijf ik de stappen zoals ze in Leviticus 1:3-13 staan:

In de tweede afbeelding maak ik de vertaalslag naar ons eigen leven:

4. ‘Olah met vogels

4.1. Vogels

Behalve ‘olah met runderen en kleinvee is er ook ‘olah met vogels.

Vogels zijn dieren met vleugels. Het Hebreeuwse woord voor vleugel is kanaf. Kanaf betekent ook ‘hoek’. Eerder schreef ik dat de hoek voor het doorbreken van de gewone gang van de dingen staat. Met behulp van zijn vleugels, zijn hoeken, kan een vogel zich losmaken van de plek waar hij zich bevindt en een andere plek bezoeken. Zo overbrugt hij de scheiding tussen twee werelden.19)

Traditioneel worden ook engelen voorgesteld als wezens met vleugels. Je kunt ze namelijk niet vastpinnen in deze wereld. Ze kunnen vrij heen en weer pendelen tussen de wereld van God en de wereld waarin wij mensen leven.

Een vogel is datgene in jezelf dat diezelfde pendelbeweging wil maken.

Voor ‘olah kun je twee soorten vogels gebruiken:

  1. De tortelduif.
  2. De jonge duif.

Het Hebreeuwse woord voor tortelduif is thōr. Thōr is verwant met thorah. De thorah is de kern van de Hebreeuwse Bijbel. Een tortelduif is dus iets heel bijzonders. Het is een boodschap van God zelf.

Als dat je “dier” is, ben je een boodschap van God in je omgeving.

Het Hebreeuwse woord voor jonge duif is ben-jōnah. Letterlijk betekent dat ‘zoon van een duif’.

Een duif is een vogel die uitgezonden wordt en weer naar zijn zender terugkeert, een vogel die weet dat hij hier niet thuishoort, dat zijn thuis bij zijn zender is.

Als je je in dit leven niet thuisvoelt, is dát je dier. Je kunt je hier niet thuisvoelen omdat je ziek of arm bent of verdrukt wordt. Je kunt je net als een vogel opgejaagd of gekooid voelen.

Als een van die dingen bij je spelen kun je niet eens ‘olah brengen. Dan ben je al blij als je het leven door kan komen. Daarom doet de priester het voor je.20)

4.2. Wat de priester doet en wat God doet

Eerst knijpt de priester met zijn nagel het hoofdje van het vogellijfje af:

Ook hier geldt dat je de beelden niet letterlijk moet nemen. Net als bij ’olah voor runderen of kleinvee gaat het hier om iets dat zich in jezelf afspeelt. In dit geval om iets dat zich in je afspeelt wanneer je je in dit leven hier niet thuisvoelt.

Het Hebreeuwse woord voor nagel is tsiporèn. Tsiporèn is verwant met tsipōr, wat ‘vogel’ betekent. Ook is het verwant met tsafàr, wat ‘omkeren’ betekent.

Door het hoofdje van het vogellijfje te knijpen, bewerkstelligt de priester een ‘omkeer’ in je problematische leven. Het hoofdje staat voor je hele leven. Dat hele leven brengt de priester in contact met het vuur van God, met Gods tijd dus. Vanaf dan is het Gods zaak. Je hoeft er zelf geen zorg meer voor te dragen.

Vervolgens drukt de priester het vogellijfje tegen de wand van het offeraltaar, zodat het bloed eruit stroomt.

Hij brengt het bloed dus niet bij de hoeken van het altaar. Dat hoeft niet, want er waren al hoeken in je leven. Je had je vleugels waarmee je van de ene wereld in de andere kon gaan. Hij drukt het alleen tegen de altaarwand.

Het Hebreeuwse woord voor het uitdrukken van vocht is matsah. Matsah is verwant met matsàh, wat ‘ongezuurd brood’ betekent. De priester maakt hier dus eigenlijk “ongezuurd brood” van je leven.

Ongezuurd brood wordt ook brood van de armoede genoemd. Het is het brood van degene die weet dat hij niets heeft en dat alles van de ander moet komen.21) Door de actie van de priester weet jij dat nu ook.

Je bloed, je psyche, komt vrij.

Als dat gebeurd is, verwijdert de priester de krop met wat er in zit en werpt dat naar de oostkant van het offeraltaar.

Het Hebreeuwse woord voor krop is moerah. Moerah is verwant met màrah, wat ‘(af)spiegel(ing)’ betekent. Hetzelfde woord wordt gebruikt voor de spiegels van de vrouwen waarvan het wasvat gemaakt is dat in dezelfde ruimte als het altaar staat.

Met de krop wordt ook de inhoud verwijderd. Het Hebreeuwse woord voor die inhoud is notsah. Notsah is verwant met natsah, wat ‘bestreden of verwoest worden, vereenzamen’ betekent. Als de zieke, de arme, de verdrukte voor de spiegel gaat staan, bevalt hem dat allerminst. Hij ziet dan iemand die de wereld liever kwijt dan rijk is.

Als de priester de krop met inhoud weggooit, gooit hij dus eigenlijk het negatieve beeld weg dat de zieke, de arme, de verdrukte van zichzelf gekregen heeft. Hij gooit het aan de oostkant van het altaar, de kant van het verleden. De zieke, de arme, de verdrukte kan nu met een schone lei beginnen.

Tenslotte scheurt de priester de vleugels van de vogel uiteen, tot het punt dat het los van elkaar zou kunnen komen. Hier vindt dus geen totale verdeling plaats, zoals bij runderen en kleinvee. Het vogelleven heeft namelijk al iets van de heelheid die bij God past.

Het vogellijfje wordt nu op het altaar gelegd. Daar komt het in contact met het vuur van God, ofwel met Gods tijd.

Ook hier is weer sprake van een rejàch nichowàch, een ‘rustbrengende reuk’ voor God. Zoals ik al schreef is rejàch, ‘reuk’ verwant met roeàch, ‘geest’. Deze geest stijgt op uit het leven van de zieke, de arme, de verdrukte en gaat Gods wereld binnen.

In de volgende twee afbeeldingen laat ik alle stappen van ‘olah voor vogels nog eens zien.

In de eerste afbeelding beschrijf ik de stappen zoals ze in Leviticus 1:14-17 staan:

In de tweede afbeelding maak ik de vertaalslag naar ons eigen leven:

5. Minchah

5.1. Tarwemeel, olijfolie en wierook

De tweede manier om God te naderen is minchah.

In vertalingen wordt gesproken van een “spijsoffer”, een “graanoffer” of een “meeloffer”. Het gaat hier dus om iets plantaardigs.

Minchah is verwant met menoechah, wat ‘rust(en)’ betekent. In tegenstelling tot dieren hoeven planten nergens heen. Ze blijven waar ze zijn. Hun leven is voltooid. Ze zijn in “rust”.

Minchah wordt niet naar de woning van God gebracht door Adam, door de mens, maar door de nèfèsj, de psyche. De psyche is daar alleen toe in staat als ze eerst zelf bij God gebracht is, als het kringetje doorbroken is waarin ze normaal gesproken rondcirkelt.

Minchah bestaat uit de volgende onderdelen:

  1. Tarwemeel.
  2. Olijfolie.
  3. Wierook.

Deze onderdelen komen ook voor in het Heilige, het tweede niveau van de woning van God:

  1. Het tarwemeel is de grondstof voor de broden, die op de tafel aan de noordzijde van het Heilige liggen.
  2. De olijfolie is de brandstof voor de kandelaar, die aan de zuidzijde van het Heilige staat.
  3. De wierook wordt verbrandt op het wierookaltaar, dat aan de oostzijde van het Heilige staat.

Elk van deze onderdelen staat voor een onderdeel van je eigen ziel:

  1. Het tarwemeel staat voor je nèfèsj, je psyche.
  2. De olijfolie staat voor je nəsjamah, je diepste wezen.
  3. De wierook staat voor je roeàch, je geest, die je psyche en je diepste wezen met elkaar verbindt.

In het Heilige zijn deze drie delen van je ziel in harmonie.22)

Hetzelfde geldt voor minchah.

Het tarwemeel voor minchah wordt gebakken tot ongezuurd brood. Dat brood kan verschillende vormen hebben. Het is brood dat op verschillende manier in contact gebracht wordt met de olijfolie.

Steeds is er echter sprake van de drie onderdelen. Samen staan ze voor je ziel die in harmonie is.

5.2. Minchah en de priester

Als je het kringetje waarin je psyche gewoonlijk ronddraait open maakt, kan die vrijgemaakte psyche deze onderdelen bij de priester brengen.

De priester neemt daar een greep uit met zijn hand.

Een hand wordt gekenmerkt door een tegenstelling. Aan de ene kant heb je de duim en aan de andere kant de vier andere vingers. Weinreb noemt dit de 1 – 4 verhouding.23) De 1 staat voor Gods wereld en de 4 staat voor onze wereld.24) Door een greep uit het door ons meegebrachte minchah te nemen, brengt de priester deze werelden bij elkaar.

Daarna legt hij dat minchah op het offeraltaar waar het in contact komt met het vuur van God en daarmee met de wereld van God.

Bij dit alles mag het zout niet ontbreken. Zonder zout kan er bederf plaatsvinden. Zout staat voor het onveranderlijke. Dit onveranderlijke is een kenmerk van Gods wereld.

De rest van het door ons gebrachte minchah eet de priester zelf op. Minchah staat voor onze ziel die in harmonie is. Eten van dat minchah staat voor het in zich opnemen van die ziel.25) Door onze ziel in zich op te nemen, maakt de priester er intensief contact mee.

In Leviticus 2:1-13 wordt over minchah geschreven.

Zoals ik al schreef, volgt minchah op ’olah. Eerst openen we zelf de kring van onze nèfèsj, onze psyche. Dan brengt de priester deze nèfèsj, die nu in harmonie is met ons diepste wezen, in contact met God.26)

6. Zèvach hà-sjəlamīm

6.1. Als je niets meer mist

De derde manier om God te naderen is zèvach hà-sjəlamīm.

Zèvach hà-sjəlamīm betekent letterlijk ‘het slachtmaal (van) de vrede’.

Het Hebreeuwse woord voor “vrede” is eigenlijk sjalōm. Hiermee wordt niet alleen “afwezigheid van oorlog” bedoeld, maar een algeheel welzijn, een zich op alle vlakken heel, vol, gelukkig voelen. In dit geval staat er echter sjəlamīm. Sjəlamīm is het meervoud van sjalōm. In het Hebreeuws kan een meervoud ook iets kwalitatiefs zijn. Hier gaat het dan om een vrede die de “gewone vrede” overstijgt, om hemelse vrede.27)

In de tijd waarin wij leven moet om alles nog gestreden worden. In de hemel, in het “hiernamaals” is er echter vrede. De tijd waarin wij leven wordt in de Bijbel de “zevende dag” genoemd en het “hiernamaals” de “achtste dag”.

De tent waar alle handelingen verricht worden waar ik tot nu toe over schreef, is de “woning van God in de zevende dag”. In de zevende dag gaat de tijd steeds verder. Ook de “woning van God” wordt daar steeds afgebroken en een stuk verder weer opgericht.

De “woning van God in de achtste dag” is de tempel. In de achtste dag is alles klaar. Daar blijft de “woning van God” op één plek staan.

De bouwer van deze tempel is Sjlomoh. Sjlomoh is net als sjəlamīm afgeleid van sjalōm, ‘vrede’. Als die vrede in je is, als alles klaar is, als je niets meer mist, ben je klaar voor zèvach hà-sjəlamīm, het ‘slachtmaal (van) de vrede’.

6.2. Vrede en vet

Net als bij ólah mogen de dieren om tot God te naderen bij zèvach hà-sjəlamīm runderen, schapen of geiten zijn. Bij ’olah mocht dat dier echter alleen mannelijk zijn. Bij zèvach hà-sjəlamīm mag dat dier ook vrouwelijk zijn.

In paragraaf 3.2 schreef ik dat het mannelijke staat voor de verborgen kant van de dingen. Het vrouwelijke staat daarentegen voor de openbare kant van de dingen.28) Als er vrede is in je lichaam en in je psyche is er ook vrede tussen je verborgen en je openbare kant. Het maakt dan niet uit welke kant je van jezelf bij God brengt.

Als je met je lichaam en je psyche op pad gaat naar God, gaat daar weer van alles mee gebeuren.

De eerste stappen van zèvach hà-sjəlamīm zijn hetzelfde als die van ’olah met runderen en kleinvee. Ook nu moet je met je hand op het hoofd van het dier steunen en je “kring” doorsnijden. Ook nu brengt de priester je bloed, je psyche, naar de hoeken van het offeraltaar.

Daarna beginnen de verschillen:

Bij ’olah werd de huid van het dier gestroopt en het dier zelf in stukken verdeeld, die vervolgens op het offeraltaar verbrand werden. Bij zèvach hà-sjəlamīm wordt alleen het vet op het altaar verbrand.

Vet is dat wat je niet direct nodig hebt. Als je bang bent dat je in de toekomst toch nog iets zou kunnen missen, ga je daar voorraden van aanleggen. Je vrede, je gevoel dat alles heel en vol is, zal dan als sneeuw voor de zon verdwijnen.

Je vet geef je aan God, in het vertrouwen dat Hij in de toekomst voor je zult zorgen.

6.3. De nieren en de lever

Volgens de Joodse Overlevering verzamelt vet zich het liefst om de nieren heen.

Het Hebreeuwse woord voor nieren is kəljōth. Kəljōth is afgeleid van kol, wat ‘alles, geheel’ betekent. Na de kàf en de lamèd volgt de jōd, die aangeeft dat het iets “van mij” is. Daarna volgt de uitgang van het vrouwelijke meervoud, namelijk ōth. Kəljōth zou je dus kunnen vertalen als ‘mijn hele hebben en houden’.

Volgens Weinreb staan de nieren voor het meest verborgene in ons. De Overlevering noemt de nieren “de vogel van de nèfèsj”. Op die plek is onze nèfèsj, onze psyche, zo kwetsbaar dat ze hier het loodje kan leggen. Daar zetelt je intuïtie. Daar luister je naar wat God tot je zegt. In de Overlevering worden de nieren daarom vergeleken met de oren.29)

Wanneer de nieren goed functioneren, komt de “achtste dag” tot stand. Dan ben je in het paradijs.

Een ander orgaan waar zich vet om heen kan verzamelen is de lever.

Het Hebreeuwse woord voor lever is kaved, wat ‘zwaarte’ betekent. De lever geeft onze nèfèsj, onze psyche, haar zwaarte. De lever zorgt ervoor dat de psyche hier op aarde kan blijven.

De lever kan vergiftigd worden door gal. Gal ontstaat als je boos bent of jaloers bent, of naar seks verlangt. Gal ontstaat als je wilt dat de dingen anders gaan lopen.30)

Al die dingen brengt de priester nu op het offeraltaar. Alles waar je het niet mee eens bent, alles wat je diep van binnen voelt, alles wat je vrede zou kunnen verstoren, brengt hij in contact met Gods vuur, Gods tijd.

6.4. Eten

Van de rest van het dier mag je op deze heilige plek eten. Niet voor niets wordt er over een ‘slachtmaal (van) de vrede’ gesproken.

Het dier is je “leven hier”. Het dier eten is je leven hier in je opnemen, er intensief contact mee maken.31)

Het bloed van het dier mag je niet eten. Dat is je nèfèsj, je psyche. Dat is dat waarmee je je leven hier kunt leven. Die nèfèsj, die psyche, is voor God.

Het Bijbelgedeelte over dit “slachtmaal van de vrede” vind je in Leviticus 3:1-17.

Enkele delen van het dier krijgt de priester:32)

  1. Het borststuk.
  2. De rechterschenkel.

Het Hebreeuwse woord voor borststuk is chazèh. Chazèh is verwant aan chazah, wat ‘zien’ betekent. In de borst zit het hart. In de Bijbel is het hart een denkorgaan, een orgaan waarmee je de verbanden kunt zien tussen schijnbaar tegenstrijdige dingen.

Het Hebreeuwse woord voor schenkel is sjōq. Sjōq is verwant met sjoek, wat ‘weg’ betekent. De schenkel is dus iets waarmee je je weg gaat. In dit geval gaat het om de rechterschenkel. In het Hebreeuws staat rechts voor het goede.33) De rechterschenkel is dus dat waarmee je de goede weg gaat.

De priester krijgt dus het borststuk en de rechterschenkel, het “zien van verbanden” en het “gaan van de goede weg”. Hij “eet” dat, weet hoe je kunt zien wát met wát te maken heeft en hoe je goed door het leven kunt komen.

7. Asjam en chàtāth

7.1. Onopzettelijk iets verkeerds doen

De vierde manier om God te naderen wordt soms asjam en soms chàtāth genoemd.

Asjam betekent ‘schuld hebben aan’.

Het kan zijn dat je zonder het te beseffen een verkeerd woord uitgesproken of van anderen gehoord heb. Woorden zijn heel belangrijk. Zij scheppen een hele wereld. In de Tien Woorden heeft God ons geschapen zoals we eigenlijk zijn.34) Als wij, mensen, woorden uitspreken die daarmee in tegenspraak zijn, gaan we in tegen wie we zijn.

Ook kun je zonder het te beseffen in aanraking zijn gekomen met iets wat je “besmet”, wat je “onrein” maakt Het Hebreeuwse woord voor “onrein” is tame, wat ‘ontwijd, geschonden’ betekent. Het “onreine” tast dus het bijzondere aan dat je bent.35)

Een ander Bijbels woord voor iets wat verkeerd is, is “zonde”. Verreweg de meeste zonden doe je onopzettelijk. Je meent het goed, maar je doet toch iets dat fout is. Het Hebreeuwse woord voor dit soort fouten is chatah. Chatah is verwant met chata. Chata is ‘falen’, ‘verkeerd lopen’, ‘je doel missen’, ergens naar toe willen, maar ergens anders terecht komen.

Zelf kun je daar niets aan doen, maar toch is er nu iets dat er niet hoort te zijn. Iets dat één was, is stuk gemaakt en heeft nu “verzoening” nodig.

Als je nèfèsj, je psyche, daar achter komt, moet hij zijn “dier”, zijn “leven hier”, naar de priester te brengen. Die priester verbindt dat dier dan weer met God. De Bijbel noemt dit chàtāth.

7.2. Wat je bij de priester brengt

Het “dier” dat je nèfèsj, je psyche, bij de priester brengt, kan zowel een geit of een schaap zijn. Beiden horen tot het kleinvee, het vee dat geneigd is om iemand te volgen die het de weg wijst.

Het gaat hier om een vrouwelijk “dier”. Het vrouwelijke staat voor de openbare kant van de dingen. Ook de fout die je nèfèsj, je psyche begaan heeft, is namelijk een openbare zaak.

Als niet in staat bent om veel uit te richten en dus weinig schade hebt aangericht, kun je volstaan met een tortelduif of een jonge duif.36)

Als je tot nog minder in staat bent, kun je volstaan met tarwemeel.

Dat tarwemeel kwamen we al tegen bij het minchah.37) In dit geval is er echter geen wierook en geen olijfolie aanwezig. Tarwemeel staat voor de nèfèsj, de psyche, wierook staat voor de roeàch, de geest, en olijfolie staat voor de nəsjamah, het diepere wezen.

Hier gaat het dus om een nèfèsj die geen verbinding meer heeft met de roeàch en de nəsjamah. Hoewel ze nauwelijks iets uit kon richten, is er toch iets verkeerds bij haar gekomen en dat heeft de éénheid verbroken.

Tot nu toe schreef ik over de nèfèsj van “gewone mensen” of van mensen die in de ogen van anderen niets voorstellen. Er zijn echter ook mensen waar anderen tegen opkijken. Zij worden aanzienlijken genoemd. Het Hebreeuwse woord voor aanzienlijke is nasī. Nasī is verwant met nasa, wat ‘opstaan, zich oprichten’ betekent. Aanzienlijken zijn dus mensen die met opgericht hoofd door het leven kunt gaan.

Zulke mensen moeten net als “gewone mensen” een dier uit het kleinvee naar de priester brengen. Nu gaat het echter om een mannelijk dier. Het mannelijke staat voor de verborgen kant van de dingen. Er wordt hier dus niet gekeken naar wat de aanzienlijke in het openbare leven fout heeft gedaan, maar naar zijn verborgen fouten.

Nog meer gewicht hebben de fouten van de gemeenschap van Israël zelf. Om die fouten recht te zetten, moet er een rund bij de priester worden gebracht. Een rund staat voor iets dat zelfstandig door het leven kan gaan en daardoor een afgod voor een ander kan worden.

Als de grote priester, de priester die boven alle andere priesters staat, een fout maakt, moet hij ook zo’n rund brengen.

Zowel bij de gemeenschap van Israël als bij de grote priester gaat het weer om een mannelijk dier.

7.3. Het bloed en het vet

Net als bij de andere vormen van qorban, van het naderen tot God, speelt bloed een grote rol.

Zoals ik al schreef, staat bloed voor de nèfèsj, de psyche. Deze psyche moet in verbinding gebracht worden met het offeraltaar.

Bij fouten van de gemeenschap van Israël of de hogepriester is dat echter niet genoeg. In dat geval moet het bloed ook in het heilige, het tweede niveau van de woning van God, worden gebracht. Daar komt het in aanraking met het wierookaltaar. Het komt zelfs in aanraking met het voorhangsel, waarachter het derde en hoogste niveau van de woning van God ligt.

De nèfèsj komt hier dus dichter bij God dan normaal gesproken het geval is.

Net als bij het zèvach hà-sjəlamīm, het ‘slachtmaal van de vrede’, dat ik in hoofdstuk 6 besproken heb, wordt hier alleen het vet op het offeraltaar verbrandt.

Bij het zèvach hà-sjəlamīm werd het vet geofferd omdat dit de vrede in de weg stond. En nu, nu er fouten gemaakt zijn, staat dat vet het herstél van deze vrede in de weg.38)

7.4. Buiten de legerplaats

De rest van het geslachte dier, van het tot God gebrachte leven hier, wordt gegeten door de priesters. Zoals ik al schreef, betekent “eten“ intensief contact maken met. De priester komt dus intensief in contact met ons leven hier. Daarom ervaart hij wie wij hier zijn en wat voor fouten we hier gemaakt hebben.

Als de gemeenschap van Israël of de grote priester een fout gemaakt hebben, wordt er niets gegeten. Zoiets groots kunnen priesters namelijk niet verwerken. In dat geval moet het geslachte dier buiten de legerplaats van Israël gebracht worden om verbrand te worden.

Het Hebreeuwse woord voor legerplaats is màchànèh. Màchànèh is afgeleid van chen, wat ‘genade’ betekent. Genade is een Oudnederlands woord voor ‘gratis en voor niets goed zijn’. De legerplaats van Israël is dus de plek waar God gratis en voor niets goed is.

Buiten die legerplaats is dat niet het geval. Als de gemeenschap van Israël of de grote priester een fout maakt, moeten ze daarvan zelf de gevolgen ondervinden.

Wanneer de tempel, de vaste woning van God er is, wordt er niet meer gesproken over “buiten de legerplaats”, maar over “buiten Jeruzalem”.39) Jeruzalem betekent ‘zien van de vrede’. Buiten Jeruzalem is er geen vrede mogelijk.

Ik moet denken aan Jezus, degene waar volgens de christenen alle lijnen van de Hebreeuwse Bijbel naar toe lopen. In het Nieuwe Testament, het christelijke commentaar op de Hebreeuwse Bijbel, wordt Jezus de “hogepriester”, de grote priester, genoemd.40)

Volgens de christenen heeft Jezus als “hogepriester” met zijn eigen bloed, zijn eigen psyche, verzoening voor alle fouten van de mensen bewerkstelligt.41) Zelf is hij daarvoor buiten de legerplaats, buiten Jeruzalem op Golgotha, de ‘plek van de schedel’, gestorven.

Volgens een christelijke traditie lag op die plek de schedel van Adam, de eerste mens, begraven en druppelde Jezus’ bloed op die schedel. Dat bloed verzoende al Adams fouten en daarmee ook de fouten van zijn nakomelingen.

7.5. Drie vormen van qorban met dieren

De Bijbelteksten over asjam en chàtāth vind je in Leviticus 4 en Leviticus 5:1-13.

Samen met ‘olah en zèvach hà-sjəlamīm zijn zij de vormen van qorban, van ‘nadering’, waarbij een dier naar de priester wordt gebracht. De priester verbindt dat vervolgens met de wereld van God.

In de volgende afbeelding zet ik de hoofdverschillen tussen deze vormen nog eens op een rij:

8. De bemiddelaars

8.1. De voorbereiding op hun taak

In hoofdstuk 2 schreef ik dat priesters “dat wat wij in onze wereld zijn” in contact brengen met God. Priesters zijn dus de bemiddelaars tussen de wereld waarin wij leven en de wereld van God.

Volgens Leviticus 8 t/m 10 worden ze daar op de volgende manier op voorbereid:

Ten eerste worden ze gewassen.42)

Ten tweede worden ze aangekleed.43)

Ten derde worden ze gezalfd:

Het Hebreeuwse woord voor zalven is masjchah. Masjchah is verwant met masjiàch, wat Messias betekent. De Messias is degene die de Israëlieten naar het beloofde land, naar het paradijs brengt.

Het Hebreeuwse woord voor de olie waarmee de Messias gezalfd wordt, is sjèmèn. Sjèmèn is verwant aan sjəmonèh, wat ‘acht’ betekent. “Acht” is het getal van de paradijselijke toekomst. Door hun zalving worden de priesters dus “Messiassen” die ons, mensen, in het paradijs brengen.

Ten vierde brengen de priesters hun eigen qorban:

Eerst brengen ze chàtāth voor de fouten die ze tot dan toe gemaakt hebben. Vervolgens brengen ze ’olah waarmee ze hun hele leven hier aan God geven.

Daarna brengen ze een speciaal soort qorban dat miloeīm genoemd wordt. Miloeīm is verwant met male wat ‘vullen, voltooien’ betekent. Het bloed van dit qorban wordt door Mozes, de schrijver van de Thorah, op hun rechteroor, rechterduim en rechter grote teen gesmeerd.

Rechts is de goede kant, de kant van God.44) Het rechteroor staat dan voor het horen wat God zegt, de rechterduim voor het doen wat God wil, en de rechter grote teen voor het gaan van Gods weg.

Dan “vult” Mozes de “handpalmen” van de priesters. Het Hebreeuwse woord voor handpalm is kàf. De kaf is ook een Hebreeuwse letter. Het beeld van deze letter is de “hand in beweging”, de hand die iets doet. Door hun handpalmen te vullen, stelt Mozes ze in staat iets aan God te geven. Hij vult ze met:

  • Het vet van het dier, ofwel de behoefte om de toekomst zeker te stellen.
  • De rechterschenkel van het dier, ofwel de mogelijkheden om de goede weg te gaan.

Daarop legt Mozes minchah, dat staat voor de psyche die in harmonie is, en beweegt de handpalmen naar boven en naar beneden en terug. Deze beweging staat voor het contact met God.

Al die gaven legt Mozes tenslotte op het offeraltaar, waarmee hij ze definitief aan God geeft.

Iets van dat bloed sprenkelt Mozes, samen met wat zalfolie over de kleding van de priesters en daarna laat hij hen de gaven eten.

Zeven dagen brengen de priesters wakend door op de heilige plek en op de achtste dag brengen ze opnieuw chàtāth en ’olah. Nu niet meer alleen voor henzelf, maar ook voor de gemeenschap van Israël, die ze vertegenwoordigen.

Daarna brengen de priesters ook de beide andere vormen van qorban, namelijk minchah en zèvach hà-sjəlamīm.

Het vuur van God verbindt al die vormen van “het leven hier” met “het leven van God zelf”. De priesters krijgen ook hun deel en eten ervan.

Nu is het paradijs aangebroken, want dat is wat de achtste dag is.

8.2. Het leven dat ze leiden

In Leviticus 21 en 22 wordt iets verteld over het leven dat priesters leiden die dienstdoen in de woning van God.

Ten eerste mogen ze niet in aanraking komen met een gestorvene, behalve als het een verwant is:

De dood is een teken van scheiding. Zij kwam in de wereld omdat de eerste mensen van de boom van de kennis van goed en kwaad, de kennis van de tweeheid, aten. Omdat ze dat deden, mochten ze niet langer eten van de levensboom en moesten ze het paradijs verlaten.

Priesters leven echter in een wereld waarin dat paradijs opnieuw aangebroken is. De dood hoort in die wereld niet thuis. De grote priester, die nog dieper in die wereld komt, mag met geen enkele dode in aanraking komen, zelfs niet als het een verwant is.

Ten tweede hebben priesters andere vrouwen dan “gewone mensen”:

Volgens Weinreb staat de man voor de verborgen kant en de vrouw voor de openbare kant van ons leven.

De openbare kant van de priester mag niet chalal zijn. Chalal betekent ‘ontwijd zijn’. Alles wat je hier ziet, hoort en voelt, heeft een geheim. Als je daar geen rekening mee houdt, ontwijd je het, neem je de glans ervan weg.

De openbare kant van de grote priester moet bəthoelah zijn. Bəthoelah betekent ‘maagdelijk’. Volgens Weinreb betekent dit dat haar vrucht niet van deze wereld komt maar van de wereld van God. In het Nieuwe Testament wordt Maria, de moeder van Jezus, een maagd genoemd.

Zowel de verborgen als de openbare kant van de grote priester is dus op de wereld van God gericht.

Ten derde mogen priesters geen moem, geen ‘gebrek, vlek’ hebben. De woning van God waar ze dienstdoen is namelijk een “heilige plaats”, een plaats waar alles “heel” is.

8.3. De bemiddelaars en wij

Elk onderdeel van het gebeuren in de woning van God is ook iets wat zich afspeelt in onszelf, dus ook priesters en grote priesters.

Priesters en grote priesters zijn nog dieper in ons verborgen dan onze nəsjamah, ons diepste wezen. Ze vormen datgene in onszelf, dat ons in contact brengt met God en Zijn wereld. Zelf hebben wij daar geen enkele greep op.

9. De dag dat alles één wordt

9.1. In het heilige van de heiligen

Het centrale gedeelte in het boek Leviticus is hoofdstuk 16. Dat hoofdstuk gaat over de enige dag in het jaar dat de grote priester het Heilige van de heiligen mag betreden.

Het Heilige van de heiligen is het derde en hoogste niveau van de woning van God. Daar staat de àrōn, het voorwerp waarin de platen met de Tien Woorden zich bevinden.

Boven die àrōn verschijnt God zélf in een wolk. Het Hebreeuwse woord voor ‘wolk’ is ‘ənan. ‘Ənan is verwant met ‘anah, wat ‘antwoorden’ betekent. Daar, in die wolk, antwoordt God ons dus. Geen antwoord waar je met je verstand of je gevoel wat mee kunt, maar een antwoord dat bedoeld is voor je nəsjamah, je diepste wezen.

Om daar te komen, moet de grote priester het bloed, de bevrijde psyche, meenemen van een stier en een bok. De stier is qorban voor hemzelf en de bok is qorban voor de gemeenschap van Israël.

Het Hebreeuwse woord voor stier is pàr. Pàr is verwant met parah, wat ‘vruchtbaar’ betekent. De stier staat dus voor de kracht om nakomelingen voort te brengen, om je leven in onze wereld in stand te houden.

Het Hebreeuwse woord voor bok is sa’īr. Sa’īr is verwant met se’ar wat ‘haar’ betekent.

Volgens de Joodse Overlevering hadden de eerste mensen in het paradijs nog geen huid en ook geen haar. Uit hun lichaam straalde licht van God. Toen zij van de boom van de kennis van goed en kwaad aten, verdween dat licht en werd dat vervangen door huid en haar. Licht staat voor de eenheid en huid en haar voor de veelheid.45) De bok staat dus voor de aantrekkingskracht van de veelheid, van de vele zaken in onze wereld.

Zowel het rund als de bok dienen als chàtāth, als qorban voor de fouten. In hoofdstuk 7 heb ik daar al uitgebreid over geschreven.

De grote priester zal hen slachten en het bloed, de vrijgemaakte psyche, naar het deksel van de àrōn brengen.

Dit deksel staat voor de éénheid, voor dat wat God is. Hier in deze wereld is die éénheid iets onbestaanbaars. Hier in deze wereld staat tegenover ieder “iets” een “tegen-iets”.

Onze psyche leeft in die wereld. Toch komt ze nu met Gods wereld in verbinding.

Dat gebeurt met behulp van de roeàch, de geest, het deel van onze ziel dat onze wereld met Gods wereld kan verbinden. Naast het bloed neemt de grote priester namelijk wierook mee. Het bloed staat voor de nèfèsj, de psyche, en de wierook staat voor de roeàch, de geest.

Met een wolk, een ‘Ənan, van wierook zal de grote priester het deksel aan zijn zicht onttrekken en daarna het bloed erover sprenkelen.

9.2. Naar het land van de splijting

De bok waarvan het bloed op het deksel werd gesprenkeld, wordt de “bok voor JHWH” genoemd. JHWH is de Naam van God, de Naam die de éénwording van alles bewerkstelligt.

Er is echter ook nog een andere bok. Deze bok wordt de “bok voor ‘Àzazel” genoemd.

‘Àzazel is een verbinding van twee Hebreeuwse woorden. Het eerste woord is ‘àz, wat ‘kracht, sterkte’ betekent en het tweede woord is azàl, wat ‘weggaan, ophouden, opraken’ betekent. ‘Àzazel kun je dus vertalen als ‘(het) weggaan (van de) kracht’. Als je dood gaat, gaat al je levenskracht verloren. De “bok voor ‘Àzazel” is dus de bok die dood zal gaan.

Op het hoofd van deze bok legt de grote priester zijn beide handen.

Met je handen heb je de mogelijkheid om zowel het goede als het kwade te doen. Vaak pakt dat verkeerd uit. Meestal zonder dat je er erg in hebt. Die onopzettelijke zonde noemt de Bijbel chatah. In hoofdstuk 7 heb ik het daar uitgebreid over gehad.

Als je chatah doet, ga je er echter nog steeds vanuit dat God, de Ene, er is die je leven leidt. Als je dat niet meer ziet, wordt het leven een warboel voor je. Je blijft er van uitgaan dat er in theorie een God is, maar hier in dit leven moet je zelf je hoofd boven water zien te houden en daarvoor keuzes maken in je eigen voordeel. De zonden die je die toestand doet, noemt de Bijbel ’awon, wat de oude Statenvertaling vertaalt met “ongerechtigheid”.

Wanneer God ook als theoretisch gegeven vervalt, is je leven helemaal je eigen zaak geworden. De zonden die je in die toestand doet, noemt de Bijbel pèsjà’, wat de Statenvertaling vertaalt met “overtreding”.46)

Al deze zonden, of ze nu chatah, ’awon of pèsjà’ zijn, legt de grote priester op het hoofd van de bok.

Beladen met deze zonden wordt de bok naar het land gəzerah gestuurd. Gəzerah is verwant met gazàr wat ‘splijten’ betekent en met gèzèr, wat ‘stukje, deel’ betekent. Volgens de Joodse Overlevering valt de bok in dat land in de afgrond. Tijdens zijn val splijt hij dan in ontelbare stukjes.

De bok voor ‘Àzazel verdwijnt hier dus in de veelheid. Die is nu dood. De bok voor JHWH heeft echter de éénheid gevonden. Die leeft nu bij God.

De tweewording die in het boek Genesis begon, is nu ongedaan gemaakt. De “oude mens” is gestorven en de “nieuwe mens” leeft bij God.

9.3 Nieuwe kleren

Degene die de bok voor ‘Àzazel weggestuurd heeft, wast zichzelf en zijn kleren en komt weer terug. Hetzelfde geldt voor degene die de resten van de stier en de bok voor JHWH buiten de legerplaats verbrand heeft.

De grote priester doet de “witte kleren” uit die hij tijdens zijn handelingen gedragen heeft. De “witte kleren” zijn de gewone priesterkleren. Ze staan voor het geestelijke bestaan dat priesters leiden. Dat geestelijke bestaan legt de grote priester nu af. Eigenlijk gaat hij dus dood.

Toch eindigt daarmee het verhaal niet. De grote priester wast zich en trekt nieuwe “witte kleren” aan. Deze nieuwe witte kleren staan voor zijn nieuwe geestelijke bestaan.

Dat is echter nog niet alles. Over de witte kleren trekt de grote priester “gouden kleren” aan. Dat zijn kleren waar iets van goud in zit, kleren die alleen een grote priester mag dragen. Ze staan voor zijn nieuwe lichamelijke leven.47)

Dit litho is in 1966 gemaakt door Marc Chagall en heet “God geeft Mozes opdracht kleren te maken om in het heiligdom te gebruiken”. Rechts zie je Mozes, de schrijver van de Thorah, met de twee platen waarop God de Tien Woorden geschreven heeft en links Aäron, de grote priester, met zijn “gouden kleren”.

Het gaat hier niet zomaar om een wisseling van kledingstukken, maar om het ontvangen van een nieuw leven.

Paulus, één van de schrijvers van het christelijke Nieuwe Testament, spreekt dan over het “afleggen van de oude mens en het aantrekken van de nieuwe mens”.48)

9.4. De dag van de bedekking

De dag waarop dit alles gebeurt, heet Jōm Kippoer. Jōm Kippoer betekent ‘dag (van de) bedekking’. Deze dag wordt ook nu nog elk jaar door de joden gevierd.

Het woord kippoer, ‘bedekking’, verwijst naar het deksel dat op de àrōn ligt en waarover het bloed van de stier en de bok gesprenkeld is. Het Hebreeuwse woord voor dit deksel is kàporèth. Dit kàporèth staat voor de éénwording van de fundamentele tweeheid in de wereld.

Op Jōm Kippoer worden alle tegenstellingen verzoend.

Volgens de Joodse Overlevering is Jōm Kippoer de dag dat Mozes voor de tweede keer met twee platen de berg afkomt.49)

Bij de eerste afdaling had Mozes de platen kapot geslagen toen hij zijn volk rond het “gouden kalf” zag dansen alsof dat hun god was.50) Bij de tweede afdaling heeft hij nieuwe platen bij zich. Bij zijn volksgenoten is uitbundigheid dan ver te zoeken. Die hebben zelfs hun sieraden afgelegd51) en hebben spijt heeft van hun gedrag.

De platen zijn beschreven met Tien Woorden, de structuur van de mens. De platen staan dus voor wie de mens eigenlijk is. Toen Mozes de platen in stukken brak, werd die mens vernietigd, maar nu is hij terug met de “nieuwe mens”.

10. Verwante documenten

Het hoofddocument van de Hebreeuwse Bijbel is:

Het hoofddocument van de Thorah is:

Het document waar “op weg naar de eenheid” bij hoort is:

Het document dat evenals “op weg naar de eenheid” bij “het boek Leviticus” hoort is:

1)
Zie hoofdstuk 3 en 4.
2)
Zie hoofdstuk 5.
3)
Zie hoofdstuk 6.
4)
Zie hoofdstuk 7.
5)
Weinreb, F, De hogepriester Aharon, p. 7.
6)
Zie Weinreb, F (1976) Korban, p. 93.
7)
Zie Weinreb, F (1976) Korban, p. 12,13.
8)
Zie Weinreb, F (1976) Korban, p. 13.
9)
Zie voor dit alles Weinreb, F (1976) Korban, p. 16,17.
10)
Zie Weinreb, F (1976) Korban, p. 18,30.
12)
Zie Weinreb, F (1976) Korban, p. 22,23,30.
13)
Zie Weinreb, F (1976) Korban, p. 23-25,30 en Weinreb F (1976) De Bijbel als Schepping, p. 343, 344
15)
Meer hierover vind je in De alef en de ajin.
16)
Zie Weinreb, F (1976) Korban, p. 30,31.
17)
Meer hierover vind je in De snelle tijd en de De trage tijd.
18)
Zie Weinreb, F (1976) Korban, p. 275.
19)
Weinreb, F (1993) Het mensbeeld in de Kabbala, p. 20.
20)
Weinreb, F (1976) Korban, p. 40-45.
23)
Zie Weinreb, F (1976) De Bijbel als Schepping, p. 35-42.
25)
Over “eten” vind je meer in Een klein verschil.
26)
Zie Weinreb, F (1976) Korban, p. 55, 56.
28)
Zie Weinreb, F (1982) Martha en Maria - De vrouw, p. 14, 15.
29)
Weinreb, F (1976), Korban, p. 270-273.
30)
Weinreb, F (1976) Korban, p. 266-267.
31)
Zie paragraaf 5.2.
38)
Zie Onderwijzer, A.S. (1897) Nederlandsche vertaling van den Pentateuch (met commentaar van Rasji), III, p. 34.
39)
Zie Onderwijzer, A.S. (1897) Nederlandsche vertaling van den Pentateuch (met commentaar van Rasji), III, p. 36.
42)
Water staat voor de tijd, die altijd maar voortkabbelt. In die tijdstroom worden de priester gereinigd.
43)
Meer over deze kleding vind je in hoofdstuk 8 van mijn document “De woning van God”.
44)
Zie paragraaf 6.4.
46)
Zie Weinreb, F (1990) Symboliek, p. 164,165; Weinreb, F (1984) Joseph, p. 219.
49)
Zie Weinreb, F (1984) Halachah, p. 69.
50)
Zie Crisis.